Uitspraak
201005335/1/H3overweegt de Afdeling dat uit het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 11 januari 2007 in de zaak Salah Sheekh tegen Nederland, nr. 1948/04 (AB 2007, 76), kan worden afgeleid dat in beginsel aan de vereisten van artikel 13 van Pro het EVRM is voldaan wanneer een vermeende schending van het EVRM is voorgelegd aan de voorzieningenrechter en hij daarover tijdig een beslissing heeft genomen. In de door [appellant] aangevoerde omstandigheden is geen grond gelegen voor het oordeel dat die zaak een zodanig uitzonderlijk geval betreft dat het vorenoverwogene daaruit niet kan worden afgeleid. [appellant] heeft de mogelijkheid gehad om een rechterlijk oordeel te verkrijgen over het besluit van de burgemeester dat de demonstratie die volgens zijn kennisgeving op 18 mei 2010 zou plaatsvinden op het Plein te Den Haag plaats diende te vinden op de Koekamp te Den Haag. Hiertoe kon hij na het indienen van een bezwaarschrift de voorzieningenrechter verzoeken een voorlopige voorziening te treffen. Van deze mogelijkheid heeft [appellant] ook gebruik gemaakt. De voorzieningenrechter heeft in zijn uitspraak van 18 mei 2010 materieel getoetst of de door de burgemeester opgelegde beperking van het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op vrijheid van vergadering gerechtvaardigd was. Artikel 13 van Pro het EVRM is dan ook niet geschonden door het bezwaar van [appellant] nadien wegens het ontbreken van belang bij een inhoudelijke beoordeling daarvan niet-ontvankelijk te verklaren.
200806587/1. [appellant] heeft evenwel niet aannemelijk gemaakt dat hij in de nabije toekomst wederom betrokken zal zijn bij een vergelijkbare demonstratie en dat daarbij eveneens dezelfde maatregelen zullen worden genomen. Daarbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat het wetsvoorstel inzake de Wet kraken en leegstand inmiddels door zowel de Tweede Kamer als de Eerste Kamer is aangenomen.