Uitspraak
200603867/1), betreft de huisvesting van een huishouden in de gewone zin van dat woord onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan. Het begrip "woning" in artikel 3, eerste lid, is mede gerelateerd aan het begrip "huishouden", met dien verstande dat naast een huishouden maximaal twee personen en bij verlening van een ontheffing maximaal vier personen zich in een woning mogen vestigen. Nu het aantal personen dat zich buiten het verband van een huishouding mag vestigen in de planregels is gemaximeerd tot twee onderscheidenlijk vier personen, overweegt de Afdeling dat het voldoende duidelijk is hoeveel personen ingevolge het plan in een woning mogen worden gehuisvest. Het betoog faalt.