Uitspraak
200500950/1en van 15 juli 2009 in zaak nr.
200900266/1), betreft de bescherming van het milieu tegen hinder die gepaard gaat met het uitoefenen van een activiteit waarop de ontheffing ziet, een aspect waarvan de beoordeling primair plaats dient te vinden in het kader van de Wet milieubeheer. In het thans aan de orde zijnde geding staat evenwel ter beoordeling of de ontheffing niet in redelijkheid had kunnen worden verleend omdat ernstig moet worden betwijfeld dat door het uitoefenen van de activiteit niet kan worden voldaan aan de in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer opgenomen normen. Gesteld noch gebleken is dat op voorhand moet worden geconcludeerd dat niet aan die normen kan worden voldaan. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de ter plaatse op 5 oktober 2009 gehouden milieucontrole geen overtredingen zijn geconstateerd en dat geen vorm van afvallozing dan wel daaruit voortvloeiende geur is waargenomen. Bij het eveneens onaangekondigde bedrijfsbezoek van 1 juli 2010 zijn evenmin overtredingen geconstateerd. Bij dat bezoek is het hele bedrijf, inclusief het buitenterrein, de tuin, de schuurtjes en twee afvalcontainers gecontroleerd en zijn geen gips, polyester of andere materialen aangetroffen die een sterke geur kunnen verspreiden. Op 26 mei 2011 is nogmaals een nader onaangekondigd bezoek aan het bedrijf van [belanghebbende] gebracht waarbij geen andere dan de hiervoor weergegeven waarnemingen zijn gedaan. In het door [appellant] aangevoerde worden geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het standpunt van het college, dat bij de activiteiten van [belanghebbende] geen andere afvalstoffen dan leer en papier vrijkomen, onjuist is.