Uitspraak
200801014/1gestelde prejudiciële vragen.
Raad van State
De minister legde op 5 maart 2008 aan appellante een boete van €24.000 op wegens het laten verrichten van arbeid door vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning in strijd met artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Appellante maakte bezwaar en stelde beroep in, dat door de rechtbank werd afgewezen. In hoger beroep bij de Raad van State werd de zaak aangehouden in afwachting van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de uitleg van grensoverschrijdende dienstverlening en terbeschikkingstelling van werknemers.
Het Hof beantwoordde de vragen en verduidelijkte dat terbeschikkingstelling van werknemers inhoudt dat de werknemer onder toezicht en leiding van de inlenende onderneming werkt en dat de verplaatsing van de werknemer het doel van de dienstverrichting is. De Raad van State oordeelde dat de vreemdelingen ten tijde van de controle in dienst waren van het Hongaarse bedrijf A, dat de verplaatsing naar Nederland het doel van de dienstverrichting was, en dat zij hun werkzaamheden onder leiding van appellante verrichtten.
Appellante voerde aan dat sprake was van zelfstandige grensoverschrijdende dienstverlening en niet van terbeschikkingstelling, maar deze stelling faalde omdat de feitelijke omstandigheden en verklaringen dit niet ondersteunden. De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €24.000 wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen.