Uitspraak
201004771/1/M2) tast artikel 1.6, tweede lid, van de Chw, anders dan [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen, het recht op toegang tot de rechter niet in de kern aan. Met deze bepaling en artikel 1.6a van de Chw wordt bereikt dat in een vroeg stadium vast staat welke beroepsgronden in de beroepsprocedure ter beoordeling staan. Hiermee heeft de wetgever blijkens de geschiedenis van totstandkoming van deze bepalingen (Kamerstukken II 2009/10, 32 127, nr. 3, blz. 46 en 47 en nr. 8, blz. 10) beoogd vertragingen in de beroepsprocedures zo veel mogelijk te voorkomen en het voor de rechter mogelijk te maken om binnen zes maanden na afloop van de beroepstermijn uitspraak te doen, hetgeen door de Afdeling in voormelde uitspraak van 17 november 2010 als een rechtmatig doel is aangemerkt. In hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd, is voorts geen grond gelegen voor het oordeel dat met betrekking tot artikel 1.6, tweede lid, van de Chw niet aan de evenredigheidseis van het EVRM wordt voldaan. Dat de beroepstermijn te kort zou zijn om rapporten te produceren dan wel te weerleggen neemt niet weg dat in het beroepschrift beroepsgronden kunnen worden geformuleerd. Hetgeen omtrent het Activiteitenbesluit en artikel 1.9 van de Chw is aangevoerd ziet voorts niet op artikel 1.6, tweede lid, van de Chw.