Uitspraak
200604701/1, dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met het Streek- en Windplan, nu op kortere afstand dan 350 meter tot de windturbines woningen zijn gelegen, terwijl sprake is van planologische bezwaren. Het bouwplan is volgens hen niet van een goede ruimtelijke onderbouwing voorzien. Daartoe voeren zij aan dat geen duidelijkheid bestaat over het toekomstige bestemmingsplan en dat daarmee niet is voldaan aan de eis dat het plan moet passen binnen de toekomstige bestemming. [appellant] en anderen stellen zich in dit kader voorts, onder verwijzing naar de door hen in beroep overgelegde ongedateerde reactie van F. van den Berg, werkzaam bij GG & GD te Amsterdam, op het standpunt dat ten aanzien van het geluidsaspect sprake is van onvoldoende motivering. [appellant] en anderen voeren verder aan dat het college in het plan "3e Voorzieningengebied (Meerpaal-Zuid)" aanleiding had moeten zien om de vrijstelling te weigeren. Zij wijzen verder op de omstandigheid dat de fabrikant van de windturbines zelf aangeeft dat niemand zich mag begeven binnen 400 meter van een windturbine terwijl hier de afstand tot de dichtstbijzijnde woning 315 meter bedraagt.
201001296/1/M1heeft overwogen, van rechtswege is komen te vervallen, omdat met de wijziging van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) per 1 januari 2011 geen vergunningplicht meer geldt en dat per die datum de normen, zoals neergelegd in artikel 3.14a van het Activiteitenbesluit, gelden voor de windturbines, betreffen voorts omstandigheden van na het besluit van 21 juni 2010 die derhalve niet kunnen leiden tot het oordeel dat dit besluit niet rechtmatig is. De vraag of de windturbines kunnen voldoen aan de ingevolge het Activiteitenbesluit geldende geluidsnormen, die volgens [appellant] en anderen blijkens de conclusie van het door hen overgelegde rapport van AV Consulting van 31 augustus 2011 ontkennend moet worden beantwoord, doet derhalve niet ter zake.
200804977/1), mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie, dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Ook laatstgenoemde omstandigheid kan aanleiding geven tot het oordeel dat het besluit van het college in strijd is met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet of niet berust op een deugdelijke motivering. Dit neemt echter niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager of derde-belanghebbende.
200604701/1is vernietigd voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan voornoemde plandelen, mocht het college ten tijde van het besluit van 21 juni 2010 het welstandsadvies van 13 juli 2007 niet zonder meer aan zijn oordeel over de welstand ten grondslag leggen. Het lag, gelet op de vernietiging van het goedkeuringsbesluit, op de weg van het college om de welstandscommissie opnieuw te raadplegen.