ECLI:NL:RVS:2011:BV0398

Raad van State

Datum uitspraak
22 december 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201009147/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 13 EVRMArt. 7:12 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overdracht vreemdeling aan Griekenland in strijd met artikel 3 EVRM wegens gebrekkige asielprocedure

De vreemdeling was ongewenst verklaard en tegen dit besluit werd bezwaar gemaakt en beroep ingesteld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna de vreemdeling hoger beroep instelde bij de Raad van State.

De Raad van State verwijst naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak M.S.S. tegen België en Griekenland, waarin ernstige tekortkomingen in de Griekse asielprocedure werden vastgesteld. Deze tekortkomingen betreffen onder meer gebrekkige toegang tot de procedure, onvoldoende onderzoek van aanvragen, gebrek aan informatie en rechtsbijstand, en risico op refoulement.

Gezien deze omstandigheden oordeelt de Raad dat de overdracht van de vreemdeling aan Griekenland in strijd is met artikel 3 EVRM Pro. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd, en het besluit van de staatssecretaris tot overdracht vernietigd.

De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het terugbetalen van het griffierecht. Hiermee wordt de bescherming van de rechten van de vreemdeling in het kader van het asielrecht gewaarborgd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot overdracht aan Griekenland wordt vernietigd wegens strijd met artikel 3 EVRM.

Uitspraak

201009147/1/V3.
Datum uitspraak: 22 december 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 20 augustus 2010 in zaak nr. 09/34784 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Justitie (hierna: de minister).
1. Procesverloop
Bij besluit van 30 juli 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) de vreemdeling ongewenst verklaard.
Bij besluit van 24 september 2009 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 20 augustus 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 17 september 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De vreemdeling heeft zich desgevraagd nader uitgelaten. De minister voor Immigratie en Asiel heeft hierop desgevraagd gereageerd.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. In grief 1 klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hem bij overdracht aan Griekenland een behandeling in de zin van artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) staat te wachten. Daartoe betoogt de vreemdeling, samengevat weergegeven, dat zijn overdracht aan Griekenland schending van dat artikel oplevert omdat hij daar als ongewenstverklaarde vreemdeling geen asielverzoek kan indienen, dat zijn verzoek onmiddellijk zal worden afgewezen en hij het risico loopt te worden overgedragen aan Irak.
2.1.1. In het arrest van 21 januari 2011 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) in de zaak M.S.S. tegen België en Griekenland, zaak nr. 30696/09, JV 2011/68 is onder meer overwogen dat, vanwege de tekortkomingen in de behandeling van de asielaanvraag van de betrokken vreemdeling door de Griekse autoriteiten en het risico dat hij loopt op direct of indirect refoulement zonder serieuze beoordeling van zijn asielaanspraken en zonder toegang tot een effectief rechtsmiddel, de toepassing van het asielrecht in Griekenland in strijd is met artikel 13, gelezen in samenhang met artikel 3 van Pro het EVRM. Het EHRM wijst daartoe, samengevat weergegeven, op tekortkomingen in de toegang tot de procedure, tekortkomingen in het onderzoek van de aanvragen, het ontbreken van voldoende informatie voor asielzoekers over de te volgen procedures, gebrekkige communicatie tussen de autoriteiten en de asielzoekers onder meer vanwege de dubbelzinnige tekst van een informatiefolder, het gebrek aan tolken, onvoldoende training voor het personeel dat gehoren moet afnemen, het ontbreken van voldoende effectieve rechtsbijstand en de vertragingen bij het nemen van een beslissing. Voorts betrekt het EHRM bij zijn beoordeling dat afwijzende beslissingen onvoldoende worden gemotiveerd en dat asielaanvragen in Griekenland slechts in uitzonderlijke gevallen worden gehonoreerd.
Gelet op onder meer de risico's die voortvloeien uit de gebreken in de Griekse asielprocedure, komt het EHRM tot het oordeel dat overdracht door België naar Griekenland in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM. Gelet daarop klaagt de vreemdeling terecht dat ook zijn overdracht aan die lidstaat vanwege de gebreken in de asielprocedure daar in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM.
De grief slaagt.
2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen overigens in het hogerberoepschrift is aangevoerd behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 24 september 2009 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking.
2.3. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 20 augustus 2010 in zaak nr. 09/34784;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Justitie van 24 september 2009, kenmerk 0712.03.0249;
V. veroordeelt de minister voor Immigratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.311,00 (zegge: dertienhonderdelf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 56.99.94.977) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;
VI. gelast dat de minister voor Immigratie en Asiel aan de vreemdeling het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 374,00 (zegge: driehonderdvierenzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. C.J. Borman, leden,
in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, ambtenaar van staat.
w.g. Lubberdink
voorzitter w.g. Vonk
ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 22 december 2011
345.
Verzonden: 22 december 2011
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
mr. H.H.C. Visser