ECLI:NL:RVS:2012:BV0103

Raad van State

Datum uitspraak
4 januari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201011533/1/R3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • D.A.C. Slump
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.2 WroArt. 6:13 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid en ongegrondheid beroep tegen bestemmingsplan Broekstraat gemeente Best

De raad van de gemeente Best stelde op 20 september 2010 het bestemmingsplan "Broekstraat" vast, dat voorziet in de bouw van zeventien woningen aan de noordzijde van de kern Best. Appellant sub 1 en appellant sub 2 stelden beroep in tegen dit besluit. Appellant sub 1 bracht geen zienswijze in tegen het ontwerpplan, waardoor zijn beroep niet-ontvankelijk werd verklaard op grond van artikel 8.2 van de Wet ruimtelijke ordening in samenhang met artikel 6:13 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Appellant sub 2 voerde aan dat de raad ten onrechte geen behoefteonderzoek had verricht en dat er voldoende alternatieve locaties zijn, met verwijzing naar bevolkingskrimp en economische omstandigheden. Tevens stelde zij dat ruimtelijke motieven niet doorslaggevend waren en dat belangen van omwonenden onvoldoende waren meegewogen, met mogelijke nadelige gevolgen voor uitzicht, privacy, verkeers- en lichthinder en waardevermindering.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de aangevoerde argumenten onvoldoende waren om het plan aan te tasten. Nadere stukken van appellant sub 2 betroffen ontwikkelingen na vaststelling van het plan en konden daarom niet in aanmerking worden genomen. De raad had zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat het plan ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening strekte. Beide beroepen werden afgewezen zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep van appellant sub 1 is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep van appellant sub 2 ongegrond verklaard.

Uitspraak

201011533/1/R3.
Datum uitspraak: 4 januari 2012
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellant sub 1], wonend te Best,
2. [appellant sub 2], wonend te Best,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Best,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 20 september 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Broekstraat" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 december 2010, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 13 december 2010, beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
[appellant sub 2] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 november 2011, waar [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. B. Smit, en de raad, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Stark en P. Goedhart, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het plan voorziet in een planologisch regime voor de bouw van zeventien woningen aan de noordzijde van de kern Best, ten oosten van de Broekstraat. De woningen zijn onder meer bedoeld als vervangende nieuwbouw voor de herhuisvesting van huidige bewoners aan de Parallelweg in verband met de voorziene woningbouw in het bestemmingsplan "Dijkstraten".
Het beroep van [appellant sub 1]
2.2. [appellant sub 1] heeft geen zienswijze tegen het ontwerpplan naar voren gebracht.
Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening, gelezen in samenhang met artikel 6:13 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, voor zover dit beroep de vaststelling van plandelen, regels of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden.
Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Deze omstandigheid doet zich niet voor. De door hem bestreden woningbouw, ontsluiting en het buiten het plan houden van zijn perceel waren reeds in het ontwerpplan vastgelegd. Niet is gesteld dat door de bij de vaststelling van het plan aangebrachte wijzigingen een voor [appellant sub 1] nadeliger positie is bewerkstelligd. In dit verband is van belang dat [appellant sub 1] opkomt tegen het ontbreken van een bufferzone van voldoende omvang en deze zone bij de vaststelling is vergroot naar 30 m.
Het beroep van [appellant sub 1] is niet-ontvankelijk.
Het beroep van [appellant sub 2]
2.3. Het beroep van [appellant sub 2] is gericht tegen de bestemming "Wonen (W)" voor gronden in het plangebied. In dit verband voert [appellant sub 2] aan dat de raad ten onrechte geen onderzoek heeft laten verrichten naar de behoefte aan de nieuwbouwlocatie aan de Broekstraat. Volgens [appellant sub 2] ontbreekt deze behoefte gelet op de krimp van de bevolking in de gemeente Best en de huidige economische omstandigheden. Ook zijn er volgens haar voldoende inbreidingslocaties voorhanden die in de herhuisvesting van deze bewoners kunnen voorzien.
Daarnaast voert [appellant sub 2] aan dat het plan een relatie heeft met het bestemmingsplan "Aarle" en dat niet duidelijk is of dit bestemmingplan doorgang zal vinden. Volgens [appellant sub 2] heeft de raad zich hiervan geen rekenschap gegeven.
Ook voert [appellant sub 2] aan dat ruimtelijke motieven niet doorslaggevend zijn geweest bij de vaststelling van het plan. Daartoe wijst zij op de omstandigheid dat met bewoners aan de Parallelweg privaatrechtelijke afspraken zijn gemaakt over de voorziene nieuwbouwlocatie.
Voorts stelt [appellant sub 2] dat de raad bij de voorbereiding van het plan geen rekening heeft gehouden met belangen van omwonenden en dat de ruimtelijke gevolgen van het plan onderbelicht zijn gebleven. Zo is volgens [appellant sub 2] onder meer geen rekening gehouden met de aantasting van de landelijke omgeving.
Tot slot stelt [appellant sub 2] te vrezen voor verlies van haar uitzicht en privacy, alsmede voor verkeers- en lichthinder en voor waardedaling van haar woning.
2.4. De Afdeling ziet geen aanleiding anders te oordelen dan de voorzitter heeft gedaan in zijn uitspraak van 3 maart 2011, in zaak nr.
201011533/2/R3, waarbij het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen en waarbij is ingegaan op de beroepsgronden.
Ten aanzien van de door [appellant sub 2] ingediende nadere stukken waaruit naar zij stelt de twijfel omtrent de behoefte aan woningbouw duidelijk wordt alsmede haar stelling ter zitting dat nog immer zeven bouwkavels in het plangebied, maar ook vele bouwkavels elders te koop staan, overweegt de Afdeling dat deze ontwikkelingen dateren van na de vaststelling van het plan, zodat daaraan voorbij moet worden gegaan.
2.5. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit, in zoverre, anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.
Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.
2.6. Ten aanzien van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] niet-ontvankelijk;
II. verklaart het beroep van [appellant sub 2] ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. Pikart-van den Berg, ambtenaar van staat.
w.g. Slump w.g. Pikart-van den Berg
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2012
45-629.