Uitspraak
200607474/1) is ook een opdrachtgever die via een tussenpersoon arbeid laat verrichten aan te merken als werkgever in de zin van de Wav.
Raad van State
De minister legde appellant een boete op van €9.500 wegens overtreding van de artikelen 2 en 15 van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), omdat vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning arbeid verrichtten. Appellant stelde dat hij niet als werkgever in de zin van de Wav kon worden aangemerkt, omdat de vreemdelingen feitelijk voor een ander bedrijf werkten.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het begrip werkgever in de Wav ruim moet worden uitgelegd en dat degene die feitelijk arbeid laat verrichten vergunningplichtig is, ongeacht de aard van de arbeidsovereenkomst of gezagsverhouding.
Omdat appellant vanuit zijn bakkersbedrijf opdracht gaf aan een tussenpersoon die de vreemdelingen inschakelde, werd hij als feitelijk werkgever beschouwd. Het betoog over onvoldoende motivering van de betrouwbaarheid van verklaringen faalde, aangezien de boete was gebaseerd op waarnemingen van de inspecteur en eigen verklaringen van appellant.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boeteoplegging van €9.500 wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen door appellant als feitelijk werkgever.