ECLI:NL:RVS:2012:BV1200

Raad van State

Datum uitspraak
13 januari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201112187/2/R1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen wijzigingsplan woningbouw Assum

Het college van burgemeester en wethouders van Uitgeest stelde op 4 oktober 2011 het wijzigingsplan 'Assum tussen 22 en 23' vast, waarmee de bestemming van een perceel werd gewijzigd van agrarisch naar woningbouw. Verzoeker stelde beroep in en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.

De voorzitter behandelde het verzoek op 6 januari 2012 en overwoog dat verzoeker onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het bodemonderzoek waarop het besluit was gebaseerd verouderd of gebrekkig was, ondanks recente bodemveranderingen. Ook was onvoldoende onderbouwd dat de woning binnen de stankcirkels van agrarische bedrijven een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat zou veroorzaken.

Gezien het voorlopige karakter van het oordeel en het ontbreken van voldoende gronden om het besluit te schorsen, wees de voorzitter het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het wijzigingsplan wordt afgewezen.

Uitspraak

201112187/2/R1.
Datum uitspraak: 13 januari 2012
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:
[verzoekers] (hierna tezamen en in enkelvoud: [verzoeker]), beiden wonend te Uitgeest,
verzoekers,
en
het college van burgemeester en wethouders van Uitgeest,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 4 oktober 2011 heeft het college van burgemeester en wethouders het wijzigingsplan "Assum tussen 22 en 23" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft onder meer [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 november 2011, beroep ingesteld. [verzoeker] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 6 december 2011.
Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 6 januari 2012, waar [verzoeker], bijgestaan door mr. H. Martens, werkzaam bij SUR, en het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door J.N. Stuifbergen en ing. R.A. Koelman, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
Voorts is ter zitting [belanghebbende], bijgestaan door mr. W. Kattouw, werkzaam bij Arag Rechtsbijstand, als partij gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Het wijzigingsplan voorziet in de wijziging van de bestemming "Agrarische doeleinden, tevens gebied met landschappelijke waarde" van het bestemmingsplan "Buitengebied Assum/Weeg 2006" in de bestemming "Woningen met tuinen en erven" op het perceel tussen Assum 22 en 23 waardoor het mogelijk is om één woning op het perceel op te richten. Nu het college van burgemeester en wethouders ter zitting heeft vermeld dat na de inwerkingtreding van het wijzigingsplan een omgevingsvergunning voor bouwen zal worden verleend, heeft [verzoeker], anders dan het college van burgemeester en wethouders aanvoert, in zoverre een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.
2.3. [verzoeker] voert ten eerste aan dat de bodem van het perceel tussen Assum 22 en 23 niet geschikt is voor woningbouw. Het verkennend bodemonderzoek van BK Ingenieurs B.V. van september 2007 acht hij verouderd omdat er nadien nog ingrepen op het perceel hebben plaatsgevonden en omdat uit recent onderzoek van Grondslag bodemkwaliteitsbureau van 17 maart 2011 volgt dat de grond niet beoordeeld is als kwaliteitsklasse wonen.
2.4. Hieromtrent overweegt de voorzitter dat [verzoeker] op voorhand niet aannemelijk heeft gemaakt dat het college van burgemeester en wethouders het verkennend bodemonderzoek van BK Ingenieurs, gelet op de houdbaarheid daarvan, niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft kunnen leggen. In dit verband acht de voorzitter van belang dat weliswaar in 2008 een deel van de grond is afgegraven en gestort maar dat ter zitting onweersproken is gesteld dat dat is gebeurd overeenkomstig een daartoe verleende aanlegvergunning. Voorts is ter zitting onweersproken naar voren gebracht dat het perceel in 2008, nadat hierover een klacht bij de Milieudienst was ingediend, is geïnspecteerd op de aanwezigheid van hoogovenslakken, waarbij deze niet zijn aangetroffen. [verzoeker] heeft op voorhand niet aannemelijk gemaakt dat de kwaliteit van de bodem wezenlijk is gewijzigd sinds het verkennend bodemonderzoek van BK Ingenieurs. Voorts heeft [verzoeker] op voorhand niet aangetoond dat aan het verkennend bodemonderzoek zodanige gebreken kleven of dat het zodanige leemtes in kennis bevat dat het niet aan het bestreden besluit ten grondslag kon worden gelegd. Met betrekking tot het onderzoek van Grondslag bodemkwaliteitsbureau overweegt de voorzitter dat aan de in dit onderzoek betrokken partij grond inderdaad niet de kwaliteitsklasse wonen is toegekend, maar dat dit grond betreft die van het perceel zal worden verwijderd.
2.5. Voorts heeft [verzoeker] aangevoerd dat ter plaatse van de voorziene woning geen goed woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd omdat de woning is voorzien binnen de stankcirkels van twee agrarische bedrijven en dat het college van burgemeester en wethouders hieromtrent ten onrechte geen afweging heeft gemaakt.
2.6. Hieromtrent overweegt de voorzitter dat de enkele aanwezigheid van een woning binnen een stankcirkel niet betekent dat een goed woon- en leefklimaat niet kan worden gewaarborgd. In deze niet nader onderbouwde stelling van [verzoeker] behoefte het college van burgemeester en wethouders dan ook geen aanleiding te zien dat ter plaatse geen goed woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Voorts is de woningbouwmogelijkheid bij de vaststelling van het bestemmingsplan reeds afgewogen.
2.7. In hetgeen [verzoeker] heeft aangevoerd, ziet de voorzitter geen aanknopingspunten voor de verwachting dat het bestreden besluit in de bodemprocedure geen stand zal kunnen houden. Derhalve bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. Z. Huszar, ambtenaar van staat.
w.g. Hagen w.g. Huszar
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2012
533.