Uitspraak
201104900/1/H1ter zitting behandeld op 11 oktober 2011, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. M.A. Grapperhaus, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door Y.A.M. Ekelschot, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [vergunninghouder] als partij gehoord.
200708648/1, met juistheid overwogen dat voor de vraag naar de noodzaak van een bedrijfswoning van belang is of de bedrijfsprocessen ter plaatse zoveel tijd en aandacht van de aanvrager opeisen, dat op grond daarvan een redelijk belang om op het perceel te wonen, aanwezig moet worden geacht. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat uit het rapport van Van Spronsen volgt dat het college een dergelijk belang voor [vergunninghouder] heeft mogen aannemen, zodat het zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat van strijd met artikel 13.4, onder a, van de planvoorschriften geen sprake is. Voor het oordeel dat de rechtbank bij dit oordeel niet heeft kunnen aansluiten bij eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 1 oktober 2008 bestaat, anders dan [appellant] betoogt, geen aanleiding, nu het in die zaak, evenals in deze, ging om de uitleg van het noodzaakcriterium voor een bedrijfswoning.