AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bestuursrechtelijke toetsing bestemmingsplan Burg. Slanghenstraat - Mgr. Lemmensstraat te Hoensbroek
De raad van de gemeente Heerlen stelde op 7 december 2010 het bestemmingsplan 'Burg. Slanghenstraat - Mgr. Lemmensstraat' vast. Tegen dit besluit hebben twee appellanten beroep ingesteld bij de Raad van State. Appellante sub 1 bracht geen zienswijze in tijdens de ontwerpplanfase en is daarom niet-ontvankelijk, behalve voor zover zij door de wijzigingen in het vastgestelde plan in een nadeliger positie zou zijn gekomen, hetgeen niet het geval was.
Appellant sub 2 voerde aan dat de verhoging van het maaiveld in het plangebied tot meer wateroverlast zou leiden en dat zijn privacy zou worden aangetast door het zicht vanuit de nieuwe woningen. De raad stelde dat het wateradvies van het Waterschap Roer en Overmaas geen aanleiding gaf tot wateroverlast, mede door de aanwezige zand- en grondlagen, voorzieningen voor waterafvoer en voldoende rioleringscapaciteit. Ook werd de privacyaantasting als beperkt beoordeeld vanwege de afstand van circa 20 meter tussen de woningen.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de raad zich in redelijkheid op deze standpunten kon stellen en dat het beroep van appellant sub 2 ongegrond was. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 25 januari 2012.
Uitkomst: Het beroep van appellante sub 1 is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep van appellant sub 2 ongegrond.
Uitspraak
201102002/1/R1.
Datum uitspraak: 25 januari 2012
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellante sub 1], wonend te Hoensbroek, gemeente Heerlen,
2. [appellant sub 2], wonend te Hoensbroek, gemeente Heerlen,
en
de raad van de gemeente Heerlen,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 7 december 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Burg. Slanghenstraat - Mgr. Lemmensstraat" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 februari 2011, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 maart 2011, beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De raad heeft nadere stukken ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 december 2011, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd mr. L.A.M.R. Bormans, [appellant sub 2], bijgestaan door A.M.J. Beelen, en de raad, vertegenwoordigd door mr. B.L.J. Cremers en mr. M.F.M. van Kan, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
Voorts zijn ter zitting [belanghebbenden] als partij gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.
[appellante sub 1] heeft geen zienswijze tegen het ontwerpplan naar voren gebracht bij de raad.
Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en artikel 6:13 vanPro de Awb kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.
Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.
Weliswaar heeft de raad het bestemmingsplan gewijzigd vastgesteld ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan, maar [appellante sub 1] is slechts ontvankelijk voor zover zij door de vaststelling van het bestemmingsplan in een nadeliger positie is komen te verkeren ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan. Van een nadeliger positie is in dit geval geen sprake. De wijziging houdt immers in dat het dichtstbijzijnde bouwvlak een meter is verschoven in noordelijke richting, zodat de afstand tot het ten zuiden van het plangebied gelegen perceel van [appellante sub 1] is vergroot. Het beroep van [appellante sub 1] is derhalve niet-ontvankelijk.
2.2. Het bestemmingsplan maakt de bouw mogelijk van drie vrijstaande woningen in een buitenwijk van Hoensbroek, gemeente Heerlen.
2.3. [appellant sub 2] betoogt dat de afvoer van hemelwater uit het plangebied overlast voor de omgeving kan opleveren, terwijl er al de nodige wateroverlast is geweest in de afgelopen jaren. In dit verband stelt hij dat er meer hemelwater naar de omringende percelen zal afstromen, omdat het maaiveld in het plangebied ongeveer 0,5 tot 1 meter wordt verhoogd.
2.3.1. De raad stelt dat gezien het in de plantoelichting vermelde wateradvies van het Waterschap Roer en Overmaas niet te verwachten is dat de realisering van het plan wateroverlast tot gevolg kan hebben. In dit verband wijst de raad erop dat zich ter plaatse onder het maaiveld een goed doorlatende zand- en grondlaag bevindt, dat op de percelen in het plangebied voorzieningen voor de opvang en afvoer van water kunnen worden getroffen en dat de riolering ter plaatse voldoende capaciteit heeft om de afvoer van water te verwerken. Voorts stelt de raad dat het verhoogde maaiveld een aanpassing aan het niveau van het maaiveld Mgr. Lemmensstraat betreft. Verder zal te zijner tijd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden getoetst of toereikende voorzieningen zullen worden getroffen, aldus de raad.
2.3.2. De Afdeling stelt vast dat het standpunt van de raad, zoals hiervoor kort is weergegeven, in de plantoelichting uitvoerig is onderbouwd. Hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad is uitgegaan van onjuiste feiten. Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gevolgen van het plan uit een oogpunt van het risico van wateroverlast aanvaardbaar zijn.
2.4. [appellant sub 2] betoogt voorts dat zijn privacy zal worden aangetast omdat er vanuit de woningen in het plangebied zicht is op zijn woning en tuin.
2.4.1. De raad stelt dat gezien de afstand van ongeveer 20 meter tot het dichtstbijzijnde bouwvlak de aantasting van privacy beperkt is.
2.4.2. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de privacy van [appellant sub 2] voor zover het betreft zijn woning slechts beperkt wordt aangetast door de in het plan voorziene woningen. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat de afstand tussen de woning van [appellant sub 2] en de bouwvlakken van de voorziene woningen ten minste ongeveer 20 m is. Deze afstand acht de Afdeling niet zodanig klein dat de raad ervan uit had moeten gaan dat er een onevenredige kans is op inkijk in de woning van [appellant sub 2]. Dat er vanuit de voorziene woningen zicht op de tuin van [appellant sub 2] is, heeft de raad, gelet op de stedelijke omgeving waarin het plangebied is gelegen, ook in redelijkheid aanvaardbaar kunnen achten. De beroepsgrond faalt.
2.5. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is ongegrond.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het beroep van [appellante sub 1] niet-ontvankelijk;
II. verklaart het beroep van [appellant sub 2] ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. T.G. Drupsteen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van staat.