Uitspraak
200801014/1) gestelde prejudiciële vragen.
Raad van State
Bij besluit van 26 februari 2007 legde de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan [appellante], gevestigd in Polen, een boete van €216.000 op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De boete betrof het ter beschikking stellen van 27 Poolse arbeidskrachten aan een Nederlands bedrijf zonder de vereiste tewerkstellingsvergunning.
De rechtbank verklaarde het beroep van [appellante] ongegrond, waarna zij hoger beroep instelde bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de uitleg van de toepasselijkheid van de Wav in het kader van de Europese richtlijn 96/71/EG en het vrij verrichten van diensten binnen de EU.
Het Hof bevestigde dat de eis van een tewerkstellingsvergunning voor het ter beschikking stellen van werknemers in de zin van de richtlijn niet in strijd is met de artikelen 56 en 57 van het VWEU. De Raad van State oordeelde dat de werkzaamheden van de Poolse werknemers onder toezicht en leiding van het Nederlandse bedrijf werden verricht en dat de verplaatsing van deze werknemers naar Nederland het doel van de dienstverrichting was. Daarmee was sprake van ter beschikking stellen van arbeidskrachten waarvoor een vergunning vereist is.
Het betoog van [appellante] dat zij slechts veertien overtredingen had begaan werd verworpen, omdat uit de urenstaten bleek dat 27 vreemdelingen werkzaamheden hadden verricht. De Raad van State bevestigde het bestreden vonnis en wees het hoger beroep af zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €216.000 wegens het zonder tewerkstellingsvergunning ter beschikking stellen van arbeidskrachten.