Uitspraak
201101572/1/H2, behandeld op 7 juli 2011, waar Meru, vertegenwoordigd door mr. H.H.B. Lamers, advocaat te Maastricht, bijgestaan door G. Rieter en G. Lieve, en het college, vertegenwoordigd door K.J. Rouffa, M. Heijnen en G. Sanders, allen werkzaam bij de gemeente Roerdalen, zijn verschenen. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.
200204048/1, waarbij de vernietiging door de rechtbank van het desbetreffende besluit op bezwaar is bevestigd, heeft het college de vergunning alsnog geweigerd. Vervolgens heeft Meru op 6 maart 2007 een verzoek ingediend bij de minister om Sankt Ludwig af te voeren van het monumentenregister. Het beroep van Meru tegen de in bezwaar gehandhaafde afwijzing van dit verzoek heeft de rechtbank ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 21 september 2011 heeft de Afdeling deze uitspraak bevestigd (zaak nr.
201101572/1/H2).
201008317/1/H1en
200801113/1) biedt de omstandigheid dat handhavend optreden mogelijk ernstige financiële gevolgen heeft voor degene ten laste van wie wordt gehandhaafd, geen grond voor het oordeel dat dit optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat het bestuursorgaan daarvan om die reden behoort af te zien. Voorts biedt de door Meru aangevoerde omstandigheid dat handhavend optreden zal leiden tot kapitaalvernietiging volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraken van 4 augustus 2010 en 7 oktober 2009 in zaken nrs.
200909705/1/H1en
200809453/1/H1) evenmin grond voor dat oordeel. De door Meru aangevoerde financiële omstandigheden aan haar zijde en de gestelde kapitaalvernietiging zijn door de rechtbank dan ook terecht niet aangemerkt als bijzondere omstandigheden.