ECLI:NL:RVS:2012:BV2875
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins de Vin
- R. van der Spoel
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Vaststelling reëel risico bij terugkeer vreemdeling en recht op gezinsleven onder EVRM
De vreemdeling werd in 1996 als vluchteling toegelaten tot Nederland en kreeg een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. In 2007 werd deze vergunning ingetrokken en werd hij ongewenst verklaard wegens ernstige gedragingen volgens artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. De vreemdeling maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, waarna hij hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het aan de vreemdeling is om aan te tonen dat hij thans een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro. Uit het besluit van 1996 volgt dat de staatssecretaris destijds aannam dat een dergelijk risico bestond, en het is aan de staatssecretaris om aannemelijk te maken dat dit risico inmiddels is weggevallen.
De staatssecretaris heeft toegelicht dat de situatie in Afghanistan is veranderd en dat de vreemdeling persoonlijk geen reëel risico meer loopt op een met artikel 3 EVRM Pro strijdige behandeling. De Raad van State acht deze motivering voldoende en wijst het beroep af. Tevens oordeelt de Raad dat de ongewenstverklaring gerechtvaardigd is gezien de ernst van de gedragingen van de vreemdeling en het belang van de Nederlandse staat, waarbij het recht op gezinsleven volgens artikel 8 EVRM Pro niet onevenredig wordt beperkt.
De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de intrekking van zijn verblijfsvergunning en ongewenstverklaring blijven in stand.