ECLI:NL:RVS:2012:BV5121
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- M.A.A. Mondt-Schouten
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens illegale tewerkstelling Bulgaarse werknemer zonder vergunning
De minister legde appellant een boete van €8.000 op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), omdat een Bulgaarse vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning arbeid verrichtte. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat het van belang is of de vreemdeling de werkzaamheden als zelfstandige verrichtte, waarbij het criterium is of er sprake is van een gezagsverhouding. Uit verklaringen en het boeterapport bleek dat de vreemdeling in een ploeg werkte en opdrachten ontving van appellant of diens voorman, wat wijst op een gezagsverhouding. Daarmee was sprake van arbeid in loondienst en niet van zelfstandige arbeid.
Verder oordeelde de Raad dat de termijn van 12 maanden waarbinnen een tewerkstellingsvergunning vereist is, aanvangt op het moment van verlening van die vergunning en niet op de datum van afgifte van het verblijfsdocument. Het betoog van appellant dat Bulgaarse werknemers anders werden behandeld dan Nederlanders faalde eveneens, omdat alle werknemers op de bouwlocatie werden gecontroleerd.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Rotterdam, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de boete van €8.000 bevestigd wegens illegale tewerkstelling zonder vergunning.