ECLI:NL:RVS:2012:BV5122
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- M.A.A. Mondt-Schouten
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boeteoplegging wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen door opdrachtgever bouwproject
De minister legde op 20 april 2010 een boete van €8.000,- op aan appellante wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Appellante stelde dat zij slechts koper was van het kassencomplex en niet als werkgever kon worden aangemerkt. De rechtbank oordeelde echter dat appellante als opdrachtgever feitelijk werkgever was, gelet op de overeenkomst met het aannemersbedrijf en de feitelijke omstandigheden.
Appellante voerde ook aan dat de vreemdeling de werkzaamheden als zelfstandige verrichtte, maar de rechtbank concludeerde op basis van verklaringen en de feitelijke situatie dat er sprake was van een gezagsverhouding en geen zelfstandigheid. Tevens werd betwist wanneer de termijn van 12 maanden voor vrijstelling van de vergunningplicht aanvangt; de Raad bevestigde dat deze termijn start bij het verlenen van de tewerkstellingsvergunning.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Rotterdam. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €8.000,- wegens het laten verrichten van arbeid door een vreemdeling zonder vergunning.