Uitspraak
200801014/1gestelde prejudiciële vragen.
Raad van State
De minister legde op 6 augustus 2007 een boete van €56.000,- op aan appellant wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), omdat zeven Poolse vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning arbeid verrichtten. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van appellant gegrond en vernietigde het besluit, waarna de minister hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Raad van State stelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de uitleg van het begrip ter beschikking stellen van werknemers in het kader van richtlijn 96/71/EG en de toepasselijkheid van de vergunningplicht. Het Hof bevestigde dat de vergunningplicht niet in strijd is met het EU-recht gedurende de overgangsperiode en verduidelijkte de criteria voor ter beschikking stellen.
De Raad oordeelde dat de dienstverrichting door het Poolse bedrijf bestond uit het louter ter beschikking stellen van arbeidskrachten, waarbij de werknemers onder toezicht en leiding van appellant hun werkzaamheden verrichtten. De Raad verwierp de bezwaren van appellant over de bevoegdheid tot boeteoplegging, de termijn van rapportage en boeteoplegging, en het verzoek tot matiging van de boete wegens vermeende inspanningen en betalingsonmacht.
De Raad vernietigde het vonnis van de voorzieningenrechter en verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarmee de boete van de minister stand hield.
Uitkomst: De Raad van State verklaart het beroep van appellant ongegrond en bevestigt de boete van €56.000,- wegens het ter beschikking stellen van Poolse arbeidskrachten zonder vergunning.