ECLI:NL:RVS:2012:BV6575

Raad van State

Datum uitspraak
22 februari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201100368/1/A4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.20 Wet milieubeheerArt. 8.25 Wet milieubeheerArt. 20.1 Wet milieubeheerArt. 1:2 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep intrekking milieuvergunning wegens ontbreken belanghebbende

Het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland trok op 23 november 2010 de milieuvergunning in die op 10 juli 2008 aan Vulcaanhaven was verleend voor een inrichting aan de Schiedamsedijk 2a te Vlaardingen. Deze intrekking vond plaats op verzoek van Norfolkline Terminals, inmiddels DFDS Seaways Terminals B.V. Vulcaanhaven stelde beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De kern van het geschil betrof de vraag of Vulcaanhaven belanghebbende was bij het besluit tot intrekking van de vergunning. De Raad overwoog dat belanghebbende degene is wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Uit feiten bleek dat Vulcaanhaven sinds augustus 2009 het huurcontract had ontbonden en dat het terrein sinds december 2009 eigendom was van DFDS, die de activiteiten op het terrein voortzette.

De Raad concludeerde dat Vulcaanhaven ten tijde van het bestreden besluit geen zeggenschap meer had over de inrichting en niet gerechtigd was de activiteiten te hervatten. Daarom kon zij niet worden aangemerkt als belanghebbende. Het beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van Vulcaanhaven tegen de intrekking van de milieuvergunning is niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van belanghebbende.

Uitspraak

201100368/1/A4.
Datum uitspraak: 22 februari 2012
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Vulcaanhaven B.V., gevestigd te Vlaardingen,
appellante,
en
het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 23 november 2010 heeft het college op verzoek van Norfolkline Terminals (thans: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DFDS Seaways Terminals B.V., hierna: DFDS) met toepassing van artikel 8.25, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet milieubeheer de bij besluit van 10 juli 2008 aan Vulcaanhaven krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning voor een inrichting voor de opslag, het malen, zeven en breken van ertsen aan de Schiedamsedijk 2a te Vlaardingen, ingetrokken. Dit besluit is op 2 december 2010 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit heeft Vulcaanhaven bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 januari 2011, beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 februari 2012, waar het college, vertegenwoordigd door mr. A. Bagcivan en R. Hensen, is verschenen. Voorts is ter zitting DFDS, vertegenwoordigd door mr. N.J.M. de Munnik, advocaat te Rotterdam, en F.E.J. Marly, als partij gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het in de Invoeringswet Wabo opgenomen overgangsrecht volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.
2.2. Het college stelt dat Vulcaanhaven geen belanghebbende is bij het bestreden besluit, omdat zij ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet langer houdster van de vergunning van 10 juli 2008 was.
2.2.1. Ingevolge artikel 20.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan, voor zover hier van belang, een belanghebbende tegen een besluit op grond van deze wet beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
Ingevolge artikel 8.20, eerste lid, van de Wet milieubeheer geldt een voor een inrichting verleende vergunning voor ieder die de inrichting drijft. Deze draagt ervoor zorg dat de aan de vergunning verbonden voorschriften worden nageleefd.
2.2.2. Bij het bestreden besluit heeft het college de op 10 juli 2008 voor de inrichting aan de Schiedamsedijk 2a verleende vergunning ingetrokken. Voor de vraag of Vulcaanhaven belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, is van belang of Vulcaanhaven ten tijde van het nemen van het bestreden besluit drijfster van de inrichting aan de Schiedamsedijk 2a was.
Op 18 augustus 2009 is het huurcontract tussen Vulcaanhaven en de eigenaar van de locatie Schiedamsedijk 2a ontbonden. Op 27 januari 2010 is door de DCMR een controlebezoek uitgevoerd en geconstateerd dat de locatie Schiedamsedijk 2a geheel ontruimd is. Verder is gebleken dat DFDS sinds december 2009 eigenaar is van het terrein aan de Schiedamsedijk 2a en blijkens haar op 16 juni 2010 ingediende aanvraag om vergunning, die is verleend op 22 maart 2011, voornemens is op dat terrein activiteiten te ontplooien. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat Vulcaanhaven ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geen zeggenschap had over de inrichting en niet gerechtigd was de activiteiten binnen de inrichting te hervatten. Derhalve kon Vulcaanhaven ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet worden aangemerkt als drijfster van de inrichting. Ook anderszins is niet gebleken dat Vulcaanhaven rechtstreeks in haar belang wordt getroffen door het bestreden besluit. Gelet hierop kan Vulcaanhaven niet worden aangemerkt als belanghebbende bij het bestreden besluit tot intrekking van de op 10 juli 2008 voor de locatie Schiedamsedijk 2a verleende vergunning.
2.3. Het beroep is niet-ontvankelijk.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J.J. Kalter, ambtenaar van staat.
w.g. Drupsteen w.g. Kalter
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2012
492-379.