Uitspraak
200500809/1, terecht geoordeeld dat van de verbindendheid van de planvoorschriften dient te worden uitgegaan. In dit verband heeft de voorzieningenrechter met juistheid geoordeeld dat de door [appellant] gestelde gebreken in de vaststelling van het bestemmingsplan, wat daar verder van zij, aan de gelding van de planvoorschriften niet kunnen afdoen. Vaststaat dat de bouwwerken 2 en 4 zijn opgericht zonder de daarvoor benodigde bouwvergunning. Gelet hierop was het college bevoegd om jegens [appellant] handhavend op te treden.
200702722/1), is in beginsel het enkele feit dat het college niet bereid is vrijstelling te verlenen voldoende grond voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat.
200800761/1), nodig dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. De voorzieningenrechter heeft met juistheid geoordeeld dat hiervan niet is gebleken. Voorts heeft de voorzieningenrechter terecht overwogen dat [appellant] aan de omstandigheid dat aan de bouwvergunning van 7 juni 1993 de voorwaarde is verbonden dat 63 m2 van de bestaande bebouwing moet worden gesloopt, niet het gerechtvaardigde vertrouwen kon ontlenen dat tegen de aanwezige illegale bebouwing nimmer handhavend zou worden opgetreden.
200802708/1, dat de enkele omstandigheid dat het college bekend is met de overtreding maar gedurende geruime tijd daartegen niet handhavend is opgetreden, onvoldoende is om tot het oordeel te komen dat het college daardoor het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat daartegen niet meer handhavend zou worden opgetreden. Aan de omstandigheden dat er in 2001 en 2008 controlebezoeken hebben plaatsgevonden waarna het college niet tot handhaving is overgegaan en dat het college de verwijdering van de 63 m2 bebouwing nimmer heeft gelast, kon [appellant] daarom niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat tegen de aanwezige illegale bebouwing niet meer zou worden opgetreden. Voorts is in het besluit op bezwaar weergegeven dat het college prioriteiten stelt in zijn handhavingsbeleid, waarbij het niet alleen recent opgerichte illegale bouwwerken als prioritaire handhavingskwestie beschouwt, maar ook bouwwerken die in onderlinge samenhang, dan wel individueel omvangrijk zijn. Volgens het college is bouwwerk 2 als zo'n omvangrijk bouwwerk te beschouwen. Mede gelet hierop mocht [appellant] er niet op vertrouwen dat niet handhavend zou worden opgericht tegen dit bouwwerk, dat, naar hij stelt, al in 1991 is opgericht.