Uitspraak
201007143/1/M1) hebben de minister en de staatssecretaris in alle gevallen waarin zij bevoegd waren de facultatieve afwijzingsgronden van artikel 16.32, vijfde lid, aanhef en onder a en b, van de Wet milieubeheer toe te passen, daarvan gebruik gemaakt. In zoverre is een vaste bestuurspraktijk ontstaan, waaraan de minister en de staatssecretaris, behoudens bijzondere omstandigheden, gebonden zijn.