ECLI:NL:RVS:2012:BV7838
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H.G. Sevenster
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Vreemdelingenrechtelijke beoordeling van verblijfsrechten op grond van EU-richtlijn vrij verkeer
De vreemdeling, met de nationaliteit van een derde land, had een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend, die door de staatssecretaris van Justitie werd afgewezen. De vreemdeling maakte bezwaar en stelde beroep in tegen het besluit, dat door de rechtbank werd afgewezen. In hoger beroep bij de Raad van State werd overwogen dat de rechtbank en de staatssecretaris ten onrechte hadden geoordeeld dat de richtlijn 2004/38/EG niet van toepassing was omdat de referent zich niet in het gastland Estland had gevestigd.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het feit dat de vreemdeling en de referent slechts kort in Estland verbleven en daarna terugkeerden naar Nederland, niet uitsluit dat rechten aan de richtlijn kunnen worden ontleend. De Afdeling verwijst naar jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waaronder het arrest Metock, waarin is bepaald dat familieleden van een EU-burger die gebruikmaakt van het recht op vrij verkeer rechten kunnen ontlenen, ook bij terugkeer naar het land van herkomst.
Hoewel het verblijf in Estland niet in het kader van werkzaamheden van de referent plaatsvond, maar om carrièremogelijkheden van de vreemdeling te onderzoeken, werd geoordeeld dat er geen belemmering was voor de referent om zijn recht op vrij verkeer uit te oefenen. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris, maar bepaalde dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt vernietigd met behoud van de rechtsgevolgen van het besluit.