Uitspraak
201011278/1/H3heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank bevestigd en de behandeling van het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 3 januari 2011 geschorst, totdat de korpsbeheerder een nieuw besluit op het bezwaar van [appellant] heeft genomen en aan de Afdeling heeft toegezonden.
200708117/1) vloeit voort dat, indien na een eerder geheel of gedeeltelijk afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst. Nu in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn gelegen en zich evenmin een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, is er geen plaats voor rechterlijke toetsing van het besluit van 3 oktober 2011 voor zover dat ziet op de vier klachtendossiers.
200400090/1, terecht dat met betrekking tot ambtenaren, waar het hun beroepshalve functioneren betreft, slechts in beperkte mate een beroep kan worden gedaan op het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. De korpsbeheerder heeft zich evenwel terecht op het standpunt gesteld dat de gevraagde documenten, die deel uitmaken van het personeelsdossier van [persoon], voornamelijk zien op diens persoonlijk functioneren met betrekking tot zijn functie. Het persoonlijk ontwikkelingsplan bevat de competenties en persoonlijke ambities van [persoon]. De vijf gespreksverslagen bevatten in overwegende mate specifieke feiten en persoonlijke omstandigheden die aanleiding zijn geweest voor het houden van die gesprekken. De Afdeling is van oordeel dat openbaarmaking van die informatie de persoonlijke levenssfeer van [persoon] raakt en de korpsbeheerder ten aanzien van die informatie in dit geval een beroep mocht doen op het belang van de eerbiediging daarvan.