ECLI:NL:RVS:2012:BV8819
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot naturalisatie wegens meerderjarigheid tijdens besluitvorming
Appellant, geboren in 1992, diende een verzoek tot naturalisatie in via zijn wettelijk vertegenwoordiger toen hij minderjarig was. Tijdens de behandeling van het verzoek werd appellant meerderjarig. De minister wees het verzoek af omdat appellant niet meer aan het vereiste van minderjarigheid voldeed volgens artikel 11, vierde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN).
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat appellant niet in aanmerking kwam voor naturalisatie op grond van artikel 11, vierde lid, RWN. Appellant stelde dat het bereiken van meerderjarigheid tijdens de behandeling niet aan de toekenning in de weg mocht staan en dat zijn verzoek als zelfstandig verzoek moest worden behandeld.
De Raad van State overwoog dat artikel 11, vierde lid, RWN vereist dat de verzoeker minderjarig is op het moment van het besluit en dat de situatie van artikel 11, vijfde lid, niet van toepassing was. Tevens is er geen wettelijke plicht voor de minister om het verzoek te converteren in een zelfstandig verzoek. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek tot naturalisatie werd afgewezen omdat appellant tijdens het besluit meerderjarig was en niet voldeed aan het vereiste van minderjarigheid.