ECLI:NL:RVS:2012:BV9252
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit niet-ontvankelijkheid bezwaar vreemdelingen wegens onduidelijkheid schriftelijke machtiging
De vreemdelingen hadden bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een verblijfsvergunning. De minister verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk omdat volgens hem niet was voldaan aan het verzoek om een schriftelijke machtiging. De rechtbank onderschreef dit standpunt en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk.
De Raad van State oordeelt echter dat in de brieven van 4 maart 2011 niet expliciet werd gevraagd om een schriftelijke machtiging en dat het bezwaarschrift duidelijk vermeldde dat Jansen gemachtigd was om namens de vreemdelingen op te treden. Hierdoor kon de vreemdelingen niet worden verweten dat zij de brieven niet als een verzoek om een schriftelijke machtiging hebben opgevat.
De rechtbank heeft daarom ten onrechte geoordeeld dat het bezwaar niet-ontvankelijk was. De Raad van State vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de minister, verklaart het beroep gegrond en veroordeelt de minister tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdelingen wordt gegrond verklaard en het besluit tot niet-ontvankelijkheid van het bezwaar wordt vernietigd.