Uitspraak
201105225/1/H1), beperkt de verwijzing in artikel 1.1 van bijlage I van de Chw naar artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998 zich tot de verwijzing naar "een productie-installatie voor opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie met een capaciteit van ten minste 5, maar niet meer dan 100 Mw, met inbegrip van de aansluiting van die installatie op een net". De vraag of is voldaan aan de voorwaarden om gebruik te maken van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 9e, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998 en de vraag of gebruik is gemaakt van deze bevoegdheid zijn in het kader van de vraag of de Chw van toepassing is dan ook niet relevant. Gelet op de totale capaciteit van 9,2 Mw van de voorziene windturbines, die tezamen een productie-installatie als vorenbedoeld vormen, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het vrijstellingsbesluit en de bouwvergunning een project betreffen als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Chw, gelezen in samenhang met bijlage I behorende bij de Chw (onder 1.1) en artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998. Het betoog faalt.
200800531/1), dient de vraag of sprake is van een wijziging van ondergeschikte aard, per concreet geval te worden beantwoord. In het oorspronkelijke bouwplan zijn de voorziene vijf windmolens in een lijnopstelling geplaatst. Door het wegvallen van de middelste windmolen wordt deze lijnopstelling doorbroken en ontstaan twee clusters van twee windmolens met een tussenliggende afstand van 1,2 km waardoor de uiterlijke verschijningsvorm ten opzichte van het oorspronkelijke bouwplan is gewijzigd. Voorts is de capaciteit van de vier afzonderlijke windmolens toegenomen door de vervanging door een ander type windmolen. Deze wijzigingen kunnen, in verhouding tot het oorspronkelijke bouwplan, niet als wijzigingen van ondergeschikte aard worden aangemerkt. Voor het gewijzigde bouwplan was dan ook een nieuwe bouwaanvraag vereist. Het college had de, hangende de op 20 december 2007 ingediende aanvraag aangebrachte wijzigingen in het bouwplan derhalve niet mogen betrekken in het besluit van 24 november 2009. De rechtbank heeft dat niet onderkend. Dit terecht voorgedragen betoog leidt echter gelet op het hierna volgende niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.