Uitspraak
201102256/1/A3en
201102246/1/A3gaat niet op. De in deze uitspraken genoemde criteria zijn niet van toepassing op het onderhavige geval nu in dit geval vaststaat dat het huisverbod terecht is opgelegd.
Raad van State
De burgemeester van Rotterdam legde appellant op 5 maart 2011 een tijdelijk huisverbod op wegens mishandeling van zijn echtgenote en een historie van relationele problemen. Dit huisverbod werd op 14 maart 2011 met achttien dagen verlengd. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep tegen de verlenging ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State.
Appellant stelde dat het verlengingsbesluit uitsluitend was gebaseerd op eerdere feiten en dat hij niet was gehoord over de verlenging. Tevens voerde hij aan dat hij zich had gemeld voor hulpverlening en dat zijn echtgenote het huisverbod niet wilde voortzetten. De Raad van State oordeelde dat het huisverbod terecht was opgelegd en dat de verlenging was gebaseerd op het voortdurende gevaar, het ontbreken van reële aanvang van hulpverlening en het gebrek aan inzicht van appellant in de problematiek.
De Raad van State verwierp het betoog dat appellant niet was gehoord, omdat dit niet eerder was aangevoerd bij de voorzieningenrechter. Ook werd het argument dat appellant geen slaap- of verblijfplaats had niet relevant geacht. De uitspraak van de voorzieningenrechter werd bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de verlenging van het tijdelijk huisverbod wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd.