ECLI:NL:RVS:2012:BW0753

Raad van State

Datum uitspraak
30 maart 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201102642/2/A4
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • T.G. Drupsteen
  • E.T. de Jong
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.1 Wet milieubeheerArt. 8:81 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening inzake geluidgrenswaarden bij vergunning wijziging inrichting te Schiedam

Het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland verleende op 18 januari 2011 een wijzigingsvergunning voor een inrichting aan de locatie te Schiedam, gericht op het ontwerpen en bouwen van hijs- en transportinstallaties. Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht om een voorlopige voorziening wegens vermeerde geluidhinder.

De voorzitter beoordeelde of de verleende geluidgrenswaarden toereikend zijn om geluidhinder te voorkomen. Het college baseerde deze waarden op een akoestisch rapport van Peutz B.V., waarvan de resultaten niet door verzoeker werden bestreden. Wel erkende het college dat geluidvoorschriften uit eerdere vergunningen uit 1998 en 2003 ten onrechte niet waren ingetrokken, wat leidde tot onduidelijkheid over welke normen nageleefd moesten worden.

Gezien deze rechtsonzekerheid schorst de voorzitter bij wijze van voorlopige voorziening de geluidvoorschriften uit de vergunningen van 1998 en 2003 voor zover deze betrekking hebben op specifieke voorschriften. Het verzoek om verdere voorlopige voorzieningen wordt afgewezen. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan verzoeker vergoed.

De uitspraak betreft een voorlopige voorziening en is niet bindend voor de bodemprocedure. Er zijn geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: De voorzitter schorst oudere geluidvoorschriften wegens rechtsonzekerheid en wijst het verzoek voor het overige af.

Uitspraak

201102642/2/A4.
Datum uitspraak: 30 maart 2012
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker] en andere, wonend te [woonplaats], (hierna tezamen en in enkelvoud: [verzoeker])
verzoekers,
en
het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 18 januari 2011 heeft het college aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een inrichting voor het ontwerpen en bouwen van hijs- en transportinstallaties voor onder meer de scheepvaart en offshore, aan de [locatie] te Schiedam. Dit besluit is op 20 januari 2011 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit heeft [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 maart 2011, beroep ingesteld. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 februari 2012, heeft hij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. Het college heeft zijn zienswijze daarop naar voren gebracht.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 15 maart 2012, waar [verzoeker], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door E.A.M. Schouw Msc. en H. Boschloo, zijn verschenen. Voorts is ter zitting vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. M. Bos, advocaat te Rosmalen, [gemachtigden], als partij gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. [verzoeker] verzoekt om een voorlopige voorziening, nu de geluidhinder ten gevolge van de bij het bestreden besluit verleende veranderingsvergunning fors is toegenomen. Volgens hem ligt dit mede aan het feit dat het college bij het nemen van het bestreden besluit heeft verzuimd de geluidgrenswaarden verbonden aan twee vergunningen uit onderscheidenlijk 1998 en 2003 in te trekken.
2.3. Dat [verzoeker] geluidoverlast ervaart als gevolg van het in werking zijn van de inrichting is een aspect van handhaving, hetgeen hier niet aan de orde kan komen. Thans staat ter beoordeling de vraag of de bij het bestreden besluit verleende vergunning en de daarbij gestelde geluidgrenswaarden toereikend zijn om geluidhinder vanwege het in werking zijn van de inrichting te voorkomen. Het college heeft de bij het bestreden besluit gestelde geluidgrenswaarden gebaseerd op een akoestisch onderzoek van Peutz B.V., waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport met nr. FO 3665-4-RA van 10 augustus 2010. [verzoeker] heeft de resultaten in dit rapport niet bestreden. Daargelaten de vraag of [verzoeker] bescherming tegen geluidhinder toekomt, nu zijn woning op een gezoneerd industrieterrein is gelegen, ziet de voorzitter in zoverre geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
2.4. In de zienswijze op het deskundigenbericht heeft het college erkend dat het de geluidvoorschriften uit de veranderingsvergunningen van onderscheidenlijk 11 augustus 1998 en 25 november 2003 ten onrechte niet heeft ingetrokken. Naar het oordeel van de voorzitter zorgen deze geluidvoorschriften in combinatie met de bij het bestreden besluit gestelde geluidgrenswaarden voor rechtsonzekerheid, omdat onduidelijk is welke geluidgrenswaarden door vergunninghoudster moeten worden nageleefd.
2.5. Gelet op hetgeen onder 2.4 is overwogen, ziet de voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.
2.6. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Schiedam van 11 augustus 1998, kenmerk 406656, voor zover het de vergunningvoorschriften 7.1.1 tot en met 7.1.3 en 7.2.1 betreft, en 25 november 2003, voor zover het de vergunningvoorschriften 6.1.1 tot en met 6.1.5 betreft;
II. wijst het verzoek voor het overige af;
III. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland aan [verzoeker] en andere het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. T.G. Drupsteen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.T. de Jong, ambtenaar van staat.
w.g. Drupsteen w.g. De Jong
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2012
628.