Uitspraak
200807643/1/R1ongegrond verklaard.
200709052/1en 2 juni 2010 in zaak nr.
200905007/1/M2heeft vernietigd, niet met zich brengt dat gedeputeerde staten zich in de verklaring van geen bezwaar van 13 januari 2009 ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat zich geen milieuplanologische belemmeringen voordoen. Dat ten tijde van de afgifte van die verklaring geen zodanige vergunning (hierna: milieuvergunning) was veleend, heeft de rechtbank terecht onvoldoende voor die conclusie geacht. Uit die uitspraken volgt niet dat het college ten tijde van belang ernstig moest betwijfelen dat voor het in werking hebben van de inrichting milieuvergunning verleend zal kunnen worden en aan de in de milieuwetgeving opgenomen normen met betrekking tot geluid, stank, ammoniakemissie en fijnstof kan worden voldaan. Hierbij wordt mede in aanmerking wordt genomen dat de Afdeling de beroepsgronden van [appellanten] met betrekking tot stankhinder en stofreductie in de uitspraak van 2 juni 2010 heeft verworpen en deze uitspraak geen betrekking heeft op de milieugevolgen gezondheid, luchtkwaliteit, externe veiligheid en geluid.