Uitspraak
201101496/1/H3), regelt deze bepaling, gelet op dat motief, een ander onderwerp dan wat in de door [appellant] genoemde hogere regelingen is neergelegd. De voorzieningenrechter heeft deze bepaling dan ook terecht niet onverbindend geacht. Evenzeer terecht heeft hij het standpunt van het college dat de permanent geparkeerde aanhangwagens van [appellant] het groene en rustige karakter van de Prinses Beatrixstraat aantasten en een storend element vormen in de betreffende groene woonomgeving in de dorpskern van Ooij en daarom schadelijk zijn voor het uiterlijk aanzien van de gemeente, niet onredelijk geacht. Daarbij heeft de voorzieningenrechter met juistheid in aanmerking genomen dat de aanhangwagens, zijnde een zogenaamde oprijwagen, een paardentrailer en een zogenaamde platte wagen, een bedrijfsmatig karakter hebben en twee ervan, naar blijkt uit de in het dossier aanwezige foto's, een enigszins verwaarloosde indruk maken. Er bestaat daarom geen grond voor het oordeel dat het college bij de toepassing van artikel 5:6, eerste lid, aanhef en onder b, van de APV in strijd met het verbod van willekeur heeft gehandeld. Dat, zoals [appellant] stelt, in de dorpskern van Ooij regelmatig andere bedrijfsvoertuigen geparkeerd staan, laat onverlet dat het college het permanent parkeren van de aanhangwagens in de betrokken woonomgeving schadelijk voor het uiterlijk aanzien van de gemeente heeft mogen achten. Het betoog faalt.