Uitspraak
200105184/2heeft de Afdeling het daartegen door onder meer [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard en is de vergunning onherroepelijk geworden. Gelet op het bepaalde in artikel 8.18, eerste lid, onder a, van de Wet milieubeheer diende de inrichting voor 18 september 2005 voltooid en in werking te zijn gebracht om te voorkomen dat de vergunning zou komen te vervallen. In voormelde uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat aannemelijk is dat de inrichting vóór 1 januari 1987 is opgericht en sindsdien is blijven voortbestaan. De bij besluit van 21 augustus 2001 verleende vergunning dient ter legalisering van die inrichting. Voorts heeft de Afdeling overwogen dat de omstandigheid dat incidenteel en gedurende korte tijd geen dieren aanwezig zijn geweest, niet meebrengt dat de inrichting is beëindigd. Zoals [partij] ter zitting heeft toegelicht, wordt de veldschuur/vleesvarkensstal gebruikt als overloopvoorziening. Er worden dus niet het gehele jaar door varkens gehouden. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank, anders dan [appellant] betoogt, terecht aannemelijk gemaakt geacht dat de inrichting voor 18 september 2005 is voltooid en in werking gebracht. Dat, zoals [appellant] stelt, uit een brief van het college van 21 juli 2004 zou volgen dat er geen varkens in de veldschuur/vleesvarkensstal zouden zijn aangetroffen, leidt, gelet op het voorgaande, niet tot een ander oordeel. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat uit een brief van het college van 23 november 2004 volgt dat bij een controle door de toezichthouder van de gemeente op 15 november 2004 is gebleken dat de inrichting op het perceel overeenkomstig de voorschriften in werking was. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat de milieuvergunning niet is vervallen en dat, nu er geen grond is om de bouwvergunning te weigeren, de aanhoudingsplicht niet van toepassing is op de onderhavige bouwaanvraag. Het betoog faalt.