Uitspraak
200407284/1, waaruit volgt dat deze overkapping moet worden toegestaan. Deze overkappingen zullen ook leiden tot een vermindering van de overlast van het bedrijf voor omwonenden. [appellante sub 18] betoogt dat in het plan voor andere bedrijven wel is voorzien in uitbreidingsmogelijkheden. Voorts verzoekt [appellante sub 18] om het gebruik van de huidige parkeerplaats voor de opslag van goederen toe te staan.
200407284/1, het volgende overwogen:
200705084/1, voert hij aan dat de raad zich bij het toekennen van de bestemming "Waarde - Archeologie 2" niet uitsluitend heeft mogen baseren op de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (hierna: de CHW), maar dat de raad nader onderzoek had moeten verrichten naar de aanwezige archeologische waarden van de gronden waarop deze bestemming is gelegd. Volgens [appellante sub 5] zijn zijn gronden na een ruilverkaveling opnieuw ingericht, wat gepaard is gegaan met ingrijpende bodemingrepen, waaronder het diepploegen tot een diepte van 0,9 m. Voor zover de raad stelt dat archeologische waarden ook op een diepte tussen de één en twee m aanwezig kunnen zijn, stelt [appellante sub 5] dat reguliere agrarische werkzaamheden niet op deze diepte plaatsvinden. Hij acht het aanlegvergunningenstelsel dat is opgenomen in de planregels behorende bij deze bestemming onredelijk beperkend voor zijn bedrijfsvoering. Voorts is het voor [appellante sub 5] onduidelijk of voor het vervangen van drainage op zijn gronden een aanlegvergunning is vereist, gelet op de daaraan toegekende archeologische dubbelbestemming. Als dat wel het geval is, voert [appellante sub 5] aan dat het vervangen van drainage moet worden uitgezonderd van het aanlegvergunningenstelsel.
200801932/1en 29 september 2010 in zaak nr.
200809200/1/R1) rust op het gemeentebestuur de plicht zich voldoende te informeren omtrent de archeologische situatie in een gebied alvorens bij een plan uitvoerbare bestemmingen kunnen worden aangewezen en concrete bouwvoorschriften voor die bestemmingen kunnen worden vastgesteld. Het onderzoek dat nodig is voor de bescherming van archeologische (verwachtings)waarden kan blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 38a van de Monumentenwet (Kamerstukken II 2003/04, 29 259, nr. 3, blz. 46) bestaan uit het raadplegen van beschikbaar kaartmateriaal, maar wanneer het beschikbare kaartmateriaal ontoereikend is, zal plaatselijk bodemonderzoek in de vorm van proefboringen, proefsleuven of anderszins nodig zijn.
200705084/1, overweegt de Afdeling dat de archeologische dubbelbestemming, anders dan in deze zaak, was gelegd op gronden die mede waren bestemd voor boomkwekers, die voor een normale bedrijfsvoering van wisselteelt afhankelijk zijn. Uit die uitspraak kan derhalve niet worden afgeleid dat de raad niet in redelijkheid een archeologische medebestemming aan de gronden van [appellante sub 5] heeft kunnen toekennen.
200807643/1/R1, waarin onder meer het besluit van provinciale staten van Noord-Brabant tot vaststelling van de correctieve herziening De Baronie en het besluit tot goedkeuring daarvan aan de orde was, waarin onder meer de begrenzing van het LOG Alphen Oost was vastgesteld. Bij de uitspraak zijn deze besluiten, onder meer voor zover het betreft de begrenzing van het LOG Alphen Oost, gedeeltelijk vernietigd. BMF en ABC Milieugroep betogen dat het LOG Alphen Oost, zoals dat in het voorliggende plan is begrensd, te dicht bij natuurgebieden ligt.
200807643/1/R1, heeft de Afdeling het besluit van provinciale staten van Noord-Brabant van 27 juni 2008 tot vaststelling van onder meer de correctieve herziening De Baronie vernietigd, voor zover dit betrekking heeft op de gronden in het gebied aan de noordzijde en de oostzijde van het noordelijke deel van het gebied Alphen Oost die als LOG zijn aangemerkt en binnen 500 m van natuur liggen, alsmede het besluit tot goedkeuring ervan van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, thans: de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, en de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, thans: de minister van Infrastructuur en Milieu (hierna: het besluit tot goedkeuring).
200807643/1/R1, en voor zover het betreft de gebiedsaanduiding "Reconstructiewetzone - verwevingsgebied" en/of "Reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" ter plaatse van de percelen Oosterwijksestraat 24, Strijbeekseweg 53 en Markweg (ongenummerd) niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van Pro de Awb te worden vernietigd.
200906702/1/R3, betogen BMF en ABC Milieugroep dat gelet op deze uitbreidingsmogelijkheden een passende beoordeling als bedoeld in artikel 19j, tweede lid, van de Nbw 1998 en een milieu-effectrapport als bedoeld in artikel 7.2a van de Wet milieubeheer, waarvan volgens laatstgenoemde bepaling de passende beoordeling deel uitmaakt, noodzakelijk waren.
200906702/1/R3) dient de raad bij de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan de aanvaardbaarheid daarvan (opnieuw) te bezien, mede in relatie tot de op het moment van vaststelling geldende regelgeving. Uit de enkele omstandigheid dat een deel van de bouwvlakken voor intensieve veehouderijen overeenstemt met de bouwvlakken die in het voorheen geldende plan reeds waren opgenomen, volgt niet dat het plan op dit punt in overeenstemming is met artikel 19j van de Nbw 1998.
200907076/1/R3, reeds bij de vaststelling van het bestemmingsplan, uitgaande van de maximale mogelijkheden die het plan biedt, moet worden onderzocht of het plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze verplichting hangt samen met het uitgangspunt dat opname van een wijzigingsbevoegdheid inhoudt dat het eventuele gebruik daarvan in beginsel als in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening moet worden geacht. De raad heeft zich dan ook niet op goede gronden op het standpunt kunnen stellen dat deze wijzigingsbevoegdheid niet betrokken hoeft te worden bij de beantwoording van de vraag of het plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Het betoog van de raad dat de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid voor de uitbreiding van bouwvlakken van intensieve veehouderijen niet zal leiden tot een uitbreiding van het aantal dieren, omdat de wijzigingsbevoegdheid alleen kan worden toegepast als dit noodzakelijk is om te kunnen voldoen aan de door de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en de daarop gebaseerde besluiten gestelde huisvestingseisen leidt, wat daar ook van zij, niet tot een ander oordeel. Hiertoe wordt overwogen dat niet op voorhand kan worden uitgesloten dat met de toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid een verschuiving van de emissiepunten van een intensieve veehouderij mogelijk is, die significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden.
200906702/1/R3.
200708124/1.
200708124/1, overweegt de Afdeling dat, anders dan in deze zaak, in de planregels, van het in die zaak aan de orde zijnde plan, was bepaald dat de bescherming van natuurwaarden ondergeschikt is aan een ander doeleind.
201001648/1/H1, onherroepelijk geworden.
200105710/1, waarin volgens hen is overwogen dat onvoldoende duidelijk is dat sprake is van één bedrijf op beide percelen en dat een planologische koppeling gerechtvaardigd zou zijn.
200105710/1- het college van burgemeester en wethouders al in 1998 heeft besloten niet handhavend te zullen optreden tegen de activiteiten die ter plaatse worden verricht. Verder blijkt uit het deskundigenbericht, voor zover dat is uitgebracht met betrekking tot het beroep van [appellante sub 24], dat het wat betreft het perceel Boshoven 8 gaat om een voormalige agrarische bedrijfslocatie waar geen agrarische bedrijfsactiviteiten meer worden verricht. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat geen sprake is van een situatie die gelijk te stellen is aan die van [appellant sub 21].
200105710/1- het college van burgemeester en wethouders al in 1998 heeft besloten niet handhavend te zullen optreden tegen de activiteiten die worden verricht op het perceel Boshoven 8. Verder blijkt uit het deskundigenbericht dat het wat betreft het perceel Boshoven 8 gaat om een voormalige agrarische bedrijfslocatie waar geen agrarische bedrijfsactiviteiten meer worden verricht. Wat betreft het perceel Boslust 15a is volgens de raad wel aangetoond dat het gaat om semi-agrarische bedrijfsactiviteiten, te weten het maken van hekwerken en stalhekken voor agrarische bedrijven. [appellante sub 24] heeft dit niet weersproken. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat geen sprake is van situaties die gelijk te stellen zijn aan die van [appellante sub 24].