Uitspraak
200800658/1), dienen juist omdat een boete als hier bedoeld een punitieve sanctie betreft, aan de bewijsvoering van de overtreding en aan de motivering van het sanctiebesluit strenge eisen te worden gesteld.
Raad van State
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde op 29 september 2009 een boete van €4.000,- op aan [wederpartij] wegens het laten verrichten van arbeid door een vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning. De rechtbank Maastricht verklaarde het beroep van [wederpartij] gegrond en vernietigde het besluit van de minister. De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het niet vaststond dat de vreemdeling arbeid had verricht. De inspecteurs hadden op ambtsbelofte en ambtseed verklaard dat zij de vreemdeling daadwerkelijk aan het werk hadden gezien, ondanks de aanwezigheid van folie op de ramen. De minister had bovendien nadere motivering en aanvullend bewijs geleverd waaruit bleek dat de waarnemingen juist waren.
De Raad van State vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van [wederpartij] ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Hiermee werd de boeteoplegging door de minister gehandhaafd.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep tegen de boeteoplegging ongegrond.