ECLI:NL:RVS:2012:BW1619
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- H. Troostwijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boetes wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen door werkgever
De minister legde aan [appellante] twaalf boetes op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), omdat zij vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning arbeid liet verrichten. De rechtbank verklaarde het beroep van [appellante] ongegrond en bevestigde de boetes.
[Appellante] stelde in hoger beroep dat zij niet als werkgever kon worden aangemerkt en dat de ruime uitleg van het werkgeversbegrip in strijd was met artikel 7 EVRM Pro. De Raad van State verwijst naar een eerdere uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens die deze ruime uitleg bevestigt en het betoog verwierp.
Voorts voerde [appellante] aan dat zij voldoende maatregelen had getroffen om illegale tewerkstelling te voorkomen, waardoor de boetes gematigd moesten worden. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank terecht had vastgesteld dat geen sprake was van verminderde verwijtbaarheid, omdat [appellante] onvoldoende haar eigen verantwoordelijkheid had genomen.
Ten slotte verzocht [appellante] om schadevergoeding wegens directe betaling van boetes ondanks verzoek om uitstel, maar dit verzoek werd afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing en het niet aanwenden van rechtsmiddelen.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de boetes van €312.000 worden bevestigd.