Uitspraak
200308614/1, waarnaar in dit geding veelvuldig is verwezen, slechts is overwogen dat de in het destijds geldende artikel 6, zesde lid, van het Besluit homeopathische farmaceutische producten neergelegde verplichting om op de buitenverpakking van homeopathische geneesmiddelen een disclaimer te vermelden een grondslag in de Richtlijn ontbeert. Onder de regelgeving die in die zaak ter toetsing voorlag, konden homeopathische geneesmiddelen uitsluitend voor de voor het in de handel brengen noodzakelijke registratie in aanmerking komen, indien een disclaimer op de buitenverpakking werd vermeld. Uit voormelde uitspraak kan echter niet worden afgeleid dat de Richtlijn in geen geval ruimte biedt voor het opnemen van een verplichting tot het vermelden van een disclaimer in een regeling betreffende het toestaan van het in de handel brengen van homeopathische geneesmiddelen met indicatie. Meer in het bijzonder kan uit die uitspraak niet worden afgeleid dat het in strijd met de Richtlijn zou zijn indien in een dergelijke regeling de keuze wordt geboden om ofwel zonder verplichting tot het vermelden van een disclaimer wetenschappelijk te bewijzen dat het geneesmiddel de gestelde therapeutische werking heeft ofwel ter compensatie van minder strikte beproevingsvereisten een disclaimer op de buitenverpakking te vermelden. Een zodanige regeling lag destijds niet ter toetsing voor.
200410466/1) en zoals ook de Hoge Raad heeft overwogen (arrest van 16 mei 1986; NJ 1987, 251), geen rechtsregel eraan in de weg staat dat de rechter kan oordelen dat dergelijke niet door de wetgever in formele zin gegeven voorschriften onverbindend en in verband daarmee de vaststelling en uitvoering daarvan onrechtmatig zijn op de grond dat sprake is van willekeur in dier voege dat de minister, in aanmerking genomen de belangen die hem ten tijde van de totstandbrenging van de ministeriële regeling bekend waren of behoorden te zijn, in redelijkheid niet tot de desbetreffende voorschriften heeft kunnen komen. Daarbij heeft de rechter niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend, naar eigen inzicht vast te stellen, terwijl zowel de aard van de wetgevende functie als de positie van de rechter in ons staatsbestel, zoals deze mede in artikel 11 van Pro de Wet algemene bepalingen tot uitdrukking komt, meebrengen dat hij ook overigens bij deze toetsing terughoudendheid moet betrachten.