Uitspraak
200907936/1/H1), is voor toepassing van artikel 3.22, eerste lid, van de Wro vereist dat aannemelijk is dat na het verstrijken van de vergunde termijn geen behoefte meer aan de tijdelijke voorziening zal bestaan.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Beemster verleende op 25 mei 2010 aan [appellante sub 1] een bouwvergunning voor het oprichten van een tijdelijk kantoorgebouw voor vijf jaar op een perceel te Zuidoostbeemster, onder ontheffing van het bestemmingsplan. Diverse belanghebbenden, waaronder een stichting en bewonersplatform, stelden beroep in tegen deze vergunning bij de rechtbank Haarlem. De rechtbank vernietigde de vergunning omdat onvoldoende objectieve gegevens aanwezig waren die aannemelijk maakten dat binnen vijf jaar een permanent kantoorgebouw zou worden gerealiseerd.
Tegen deze uitspraak gingen zowel [appellante sub 1] als het college in hoger beroep bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het hoger beroep ontvankelijk was en dat de gronden van het beroep onvoldoende waren om de vernietiging ongedaan te maken. De Afdeling benadrukte dat het college onvoldoende zekerheid had gegeven dat het tijdelijke gebouw niet langer dan vijf jaar nodig zou zijn, mede omdat het nieuwe bestemmingsplan een conserverend karakter heeft en de oprichting van een permanent kantoorgebouw niet planologisch mogelijk maakt.
Ook de stelling van het college en [appellante sub 1] dat inmiddels een aanvraag voor een omgevingsvergunning was ingediend en dat er planologische medewerking was toegezegd, bood volgens de Afdeling onvoldoende zekerheid dat binnen vijf jaar een permanent gebouw zou worden gerealiseerd. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de vernietiging van de bouwvergunning bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de vernietiging van de bouwvergunning voor het tijdelijke kantoorgebouw omdat onvoldoende aannemelijk is dat binnen vijf jaar een permanent gebouw wordt gerealiseerd.