ECLI:NL:RVS:2012:BW3354
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige inbewaringstelling vreemdelingen wegens nalaten detentiegeschiktheidsonderzoek
Twee vreemdelingen werden op 18 januari 2012 in vreemdelingenbewaring gesteld nadat zij Nederland moesten verlaten en een inreisverbod kregen opgelegd. Vreemdeling 1 had op 13 januari 2012 een verzoek ingediend op grond van artikel 64 Vreemdelingenwet Pro 2000, onderbouwd met medische stukken, om toepassing van deze bepaling vanwege zijn medische situatie. De minister heeft nagelaten dit verzoek gemotiveerd te beantwoorden en een onderzoek naar detentiegeschiktheid uit te voeren, terwijl dit noodzakelijk was voor een zorgvuldige belangenafweging voorafgaand aan de inbewaringstelling.
De rechtbank verklaarde de beroepen tegen de inbewaringstelling ongegrond, maar de Raad van State oordeelt dat dit onjuist is. De Afdeling bestuursrechtspraak stelt vast dat de inbewaringstelling in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht, omdat het medisch verzoek niet is betrokken in de besluitvorming. Ook de inbewaringstelling van vreemdeling 2, die afhankelijk is van vreemdeling 1, is hierdoor onrechtmatig.
De Raad van State vernietigt de uitspraken van de rechtbank voor zover zij de beroepen ongegrond verklaarden, verklaart de beroepen gegrond, en beveelt opheffing van de vrijheidsontnemende maatregelen. Een schadevergoeding wordt niet toegekend vanwege de weigering van de vreemdelingen om mee te werken aan hun vertrek. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De inbewaringstelling van de vreemdelingen is onrechtmatig verklaard en de vrijheidsontnemende maatregelen zijn opgeheven.