Uitspraak
200904964/1/H1), waar ook de rechtbank naar heeft verwezen, rust in beginsel op degene die een beroep doet op het overgangsrecht de plicht om aannemelijk te maken dat dit van toepassing is. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het bijgebouw in de periode van 1988 tot september 1992 werd bewoond en [appellant] derhalve in deze op hem rustende bewijslast niet is geslaagd. [appellant] heeft in hoger beroep geen nadere bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat in die periode wel van bewoning sprake zou zijn geweest. Ter zitting is in dit verband bovendien gebleken dat het bijgebouw in de periode van 1984 tot 1987 door de toenmalige bewoner van het perceel werd gebruikt als kantoor aan huis. Ook dit gebruik houdt een relevante onderbreking van het gebruik voor woondoeleinden in.
200801122/1), is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. De rechtbank heeft door [appellant] terecht niet aannemelijk gemaakt geacht dat zodanige toezeggingen zijn gedaan. De enkele gestelde omstandigheid dat het college aan het bijgebouw een apart huisnummer heeft toegekend, maakt niet dat [appellant] wel een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel toekomt.