ECLI:NL:RVS:2012:BW4298
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- E. Steendijk
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning vreemdeling ondanks EU-burgerschap kinderen
De vreemdeling, van Iraakse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd om gezinsleven met zijn Nederlandse partner en kinderen te kunnen uitoefenen. De aanvraag werd door de staatssecretaris van Justitie afgewezen en dit besluit werd bevestigd door de rechtbank. De vreemdeling stelde dat op grond van artikel 20 VWEU Pro en het arrest Ruiz Zambrano hij recht had om in Nederland te verblijven omdat zijn kinderen Nederlandse burgers zijn en niet geacht kunnen worden hem te volgen naar Irak.
De Raad van State overwoog dat het recht op verblijf van EU-burgers en hun familieleden beperkt is en dat het gezinsleven wordt beschermd door andere rechtsinstrumenten zoals artikel 8 EVRM Pro. De Raad stelde dat de kinderen niet gedwongen worden Nederland te verlaten omdat de partner van de vreemdeling in Nederland werkt en voor de kinderen zorgt. Er waren geen concrete aanwijzingen dat de partner niet in staat was voor de kinderen te zorgen zonder de vreemdeling.
De Raad concludeerde dat de vreemdeling niet aannemelijk had gemaakt dat de kinderen zodanig afhankelijk van hem zijn dat zij feitelijk verplicht worden met hem buiten de EU te verblijven. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van de verblijfsvergunning omdat de kinderen niet gedwongen worden Nederland te verlaten zonder de vreemdeling.