ECLI:NL:RVS:2012:BW4510

Raad van State

Datum uitspraak
2 mei 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201111246/1/A1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Troostwijk
  • R. van der Spoel
  • A.B.M. Hent
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging rechtbankuitspraak over bouwvergunning windturbine in strijd met bestemmingsplan

Het college van burgemeester en wethouders van De Marne verleende meerdere bouwvergunningen voor windturbines op een perceel te Warfhuizen, waarvan de eerste vergunning in 1998 werd herroepen en in 2001 opnieuw verleend. Een vergunning voor een tweede turbine werd in 2004 verleend, maar later vernietigd omdat dit in strijd was met het bestemmingsplan dat slechts één turbine toestaat.

In 2007 diende de wederpartij een aanvraag in voor een derde windturbine met een expliciet verzoek om een voorwaarde te verbinden dat de vergunning niet gebruikt mocht worden zolang eerdere vergunningen niet waren ingetrokken. De bouwvergunning werd aanvankelijk geweigerd, maar de rechtbank oordeelde dat deze op 23 februari 2008 van rechtswege was verleend.

Het college herzag dit besluit en verklaarde de vergunning niet van rechtswege verleend, wat door de rechtbank werd vernietigd. De Raad van State bevestigt de rechtbankuitspraak en oordeelt dat het verzoek uit de begeleidende brief integraal onderdeel uitmaakt van de vergunning van rechtswege, en dat het bestemmingsplan slechts één windturbine toestaat. De hoger beroepen van het college en appellant worden ongegrond verklaard.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart de hoger beroepen ongegrond.

Uitspraak

201111246/1/A1.
Datum uitspraak: 2 mei 2012
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. [appellant sub 1] en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), wonend te Warfhuizen, gemeente De Marne,
2. het college van burgemeester en wethouders van De Marne,
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 9 september 2011 in zaken nrs. 11/5 en 11/508 in het geding tussen:
[wederpartij]
en
het college.
1. Procesverloop
Bij besluit van 24 november 2010 heeft het college het door [appellant sub 1] gemaakte bezwaar tegen de volgens het college per 23 februari 2008 van rechtswege aan [wederpartij] verleende bouwvergunning eerste fase voor het bouwen van een windturbine met een hoogte van 40 m en een wiekdiameter van 54 m op het perceel [locatie] te Warfhuizen gegrond verklaard en de bezwaren van [wederpartij] tegen het besluit van 28 mei 2008, waarbij de bouwvergunning zoals aangevraagd bij aanvraag van
28 november 2007 is geweigerd, opnieuw ongegrond verklaard en de weigering gehandhaafd.
Bij uitspraak van 9 september 2011, verzonden op 19 september 2011, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 24 november 2010 vernietigd, het bezwaar van [appellant sub 1] - voor zover ontvankelijk - alsnog ongegrond verklaard en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van voornoemd vernietigd besluit. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 oktober 2011, en het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 oktober 2011, hoger beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 17 november 2011.
Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft het college een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 april 2012, waar [appellant sub 1] en [gemachtigde], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door W.K. de Wind, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
Voorts is daar [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. M.J. Scholten, vergezeld door Y. Hempenius, gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Bij besluit van 3 maart 1998, voor zover thans van belang, heeft het college aan [wederpartij] een bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een windturbine met een ashoogte van 40 m en een wiekdiameter van 33 m bij het agrarisch bedrijf op het perceel (hierna: windturbine 1). Deze bouwvergunning is bij besluit op bezwaar van 30 september 1998 herroepen. Vervolgens is bij besluit van 16 oktober 2001, verzonden op 19 oktober 2001 (hierna aangeduid als: het besluit van 19 oktober 2001), opnieuw voor windturbine 1 een bouwvergunning verleend die na de uitspraak van de Afdeling van 21 januari 2004 (zaak nr.
200303693/1) onherroepelijk is geworden.
Bij besluit van 25 juni 2004 heeft het college aan [wederpartij] bouwvergunning verleend voor het oprichten van een windturbine met een ashoogte van 40 m en een wiekdiameter van 62 m op het perceel (hierna: windturbine 2). Na een bezwaar- en een beroepsprocedure heeft de Afdeling bij uitspraak van 26 september 2007 (zaak nrs.
200701410/1 en 200701503/1) het besluit op bezwaar, waarbij de bouwvergunning was gehandhaafd, vernietigd. De Afdeling heeft, voor zover thans van belang, de vernietiging gebaseerd op de overweging dat, nu de bouwvergunning voor windturbine 1 niet is ingetrokken, de verlening van de bouwvergunning voor windturbine 2 het mogelijk maakt dat in strijd met het bestemmingsplan twee windturbines op het perceel worden opgericht. Door aan de bouwvergunning voor windturbine 2 niet de voorwaarde te verbinden dat daarvan geen gebruik mag worden gemaakt zolang de eerste bouwvergunning niet is ingetrokken, heeft het college niet zeker gesteld dat door verlening van de tweede bouwvergunning geen strijd met het bestemmingsplan ontstaat, aldus de Afdeling in die uitspraak.
Vervolgens heeft [wederpartij] op 28 november 2007 een nieuwe bouwaanvraag ingediend, ditmaal voor het op het perceel oprichten van een windturbine met een ashoogte van 40 m en een wiekdiameter van 54 m (hierna: windturbine 3). In de brief bij de aanvraag is het college uitdrukkelijk verzocht aan de bouwvergunning de voorwaarde te verbinden dat daarvan geen gebruik mag worden gemaakt zolang de eerder verleende bouwvergunningen niet zijn ingetrokken. De bouwvergunning voor windturbine 3 is op 28 mei 2008 geweigerd wegens strijd met het bestemmingsplan, welke weigering in het besluit op bezwaar van 5 februari 2009 is gehandhaafd. Dat besluit is door de rechtbank bij uitspraak van 25 juni 2009 (in zaak nr. 09/182) vernietigd. Tegen die uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 16 oktober 2009 heeft het college erkend dat de bouwvergunning voor windturbine 3 op 23 februari 2008 van rechtswege is verleend. Bij besluit op bezwaar van 24 november 2010 heeft het college de erkenning dat een vergunning van rechtswege is ontstaan echter herroepen, overwegende dat de bouwvergunning voor windturbine 1 van 19 oktober 2001 niet is ingetrokken en voorts niet buiten elke twijfel verheven is dat de bouwlocaties van windturbine 1 en 3 op zodanige afstand van elkaar verwijderd zijn dat deze feitelijk allebei gebouwd kunnen worden, hetgeen in strijd is met het bestemmingsplan. Het college heeft daarbij het bezwaar van [wederpartij] tegen het weigeringsbesluit van 28 mei 2008 wederom ongegrond verklaard en de weigering van de bouwvergunning voor windturbine 3 wegens strijd met het geldende bestemmingsplan "Buitengebied" gehandhaafd.
2.2. Ingevolge het ten tijde van de aanvraag geldende bestemmingsplan "Leens Buitengebied" (hierna: het bestemmingsplan) is het perceel bestemd voor "Agrarische doeleinden".
Op de kaart, behorend bij de "Gedeeltelijke herziening ten behoeve van windturbines van het bestemmingsplan Leens Buitengebied" (hierna: de herziening), is op het perceel een "windturbine" weergegeven. Niet in geschil is dat bij de herziening van het bestemmingsplan de bouw van slechts één windturbine op het perceel is toegestaan.
2.3. Anders dan het college en [appellant sub 1] betogen bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank een ruimere betekenis heeft gegeven aan haar onherroepelijk geworden uitspraak van 25 juni 2009 dan zij had behoren te doen. Zij heeft terecht overwogen dat het college met inachtneming van die uitspraak opnieuw op het bezwaar van [wederpartij] diende te beslissen, hetgeen het college heeft gedaan. De rechtbank heeft dat besluit getoetst en daarbij onderzocht of het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan om een andere reden dan aan de orde was in de uitspraak van 25 juni 2009 in strijd is met het bestemmingsplan, zodat de bouwvergunning niet van rechtswege is verleend.
2.4. Het college en [appellant sub 1] betogen dat de rechtbank de intrekking in het besluit van 17 november 2009 van de bouwvergunning van 3 maart 1998 voor windturbine 1 ten onrechte als kennelijke misslag heeft aangemerkt en ten onrechte heeft overwogen dat deze bouwvergunning in het besluit had moeten worden aangeduid met de datum 19 oktober 2001. Zij stellen dat de bouwvergunning met laatstgenoemde datum tot nu toe niet uitdrukkelijk is ingetrokken.
2.4.1. Bij brief van 12 oktober 2009 heeft [wederpartij] verzocht om intrekking van de op 3 maart 1998 voor windturbine 1 verleende bouwvergunning. Bij besluit van 17 november 2009 heeft het college de op 3 maart 1998 verleende bouwvergunning ingetrokken. De rechtbank is er terecht vanuit gegaan dat het in het intrekkingsbesluit aanduiden van de bouwvergunning voor windturbine 1 als het besluit van 3 maart 1998 als een kennelijke misslag moet worden aangemerkt. Gelet op de brieven van het college aan [wederpartij] van 16 en 29 oktober 2009, strekt dit besluit onmiskenbaar tot intrekking van de bouwvergunning voor windturbine 1. De rechtbank heeft hierbij terecht in aanmerking genomen dat de bouwvergunning voor windturbine 1 van 3 maart 1998 na bezwaar was herroepen. Nadien is de bouwvergunning opnieuw verleend op 19 oktober 2001. Ter zitting heeft het college voorts te kennen gegeven dat hem destijds duidelijk was dat het verzoek om intrekking betrekking had op de bouwvergunning voor windturbine 1 van 19 oktober 2001, maar dat in het intrekkingsbesluit van 17 november 2009 abusievelijk de reeds herroepen bouwvergunning van 3 maart 1998 is genoemd. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat met het intrekkingsbesluit van 17 november 2009 de bouwvergunning van 19 oktober 2001 voor windturbine 1 als ingetrokken dient te worden beschouwd.
De betogen falen.
2.5. Het college en [appellant sub 1] betogen dat de rechtbank, door te overwegen dat een van rechtswege ontstane bouwvergunning een in een begeleidende brief bij de bouwvergunningaanvraag uitdrukkelijk gevraagde voorwaarde in zich draagt, heeft miskend dat bouwvergunning dient te worden verleend op grondslag van de aanvraag en de begeleidende brief daarvan geen onderdeel uitmaakt. [appellant sub 1] voert voorts aan dat [wederpartij] slechts in overweging heeft gegeven een voorwaarde aan de te verlenen bouwvergunning te verbinden en dat derhalve van een uitdrukkelijk verzoek daartoe geen sprake is.
2.5.1. Blijkens de stukken dateert het aanvraagformulier, waarmee om bouwvergunning voor windturbine 3 is verzocht, van 28 november 2007. In een brief van dezelfde datum, die bij het aanvraagformulier en enkele tekeningen was gevoegd, heeft [wederpartij] uitdrukkelijk verzocht aan de te verlenen bouwvergunning de voorwaarde te verbinden, dat van deze bouwvergunning geen gebruik mag worden gemaakt, zolang de bouwvergunning voor windturbine 1 niet is ingetrokken. Daarmee is beoogd zeker te stellen dat door verlening van de bouwvergunning geen strijd met het bestemmingsplan ontstaat, omdat zonder de genoemde voorwaarde op het perceel meerdere windturbines kunnen worden opgericht. Gelet op het voorgaande volgt de Afdeling het oordeel van de rechtbank dat, indien op basis van een dergelijke bouwvergunningaanvraag na ommekomst van de wettelijke beslistermijn een bouwvergunning van rechtswege ontstaat de uitdrukkelijk gevraagde voorwaarde deel uitmaakt van die bouwvergunning. Dat [wederpartij] het verzoek niet in het formulier, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning heeft gedaan, maar in de brief die de aanvraag begeleidde, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat het aanvraagformulier geen ruimte biedt voor het doen van een dergelijk verzoek. Voorts heeft het college ter zitting verklaard dat, indien binnen de wettelijke termijn op de bouwvergunningaanvraag zou zijn beslist, de gevraagde voorwaarde aan de bouwvergunning zou zijn verbonden. Dat [wederpartij] tevens bij brief van 30 november 2007 het college in overweging heeft gegeven zodanige voorwaarde aan de bouwvergunning te verbinden, doet aan het uitdrukkelijke verzoek in de brief van 28 november 2007 niet af.
Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank op goede gronden heeft overwogen dat een wettelijke basis voor het bouwen van twee windturbines op het perceel ontbreekt en op grond daarvan terecht heeft geoordeeld dat het bouwplan voor windturbine 3 aldus niet in strijd is met het bestemmingsplan en de bouwvergunning daarvoor mitsdien moet worden geacht op 23 februari 2008 van rechtswege te zijn verleend. Hieruit volgt voorts dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college bij de heroverweging van het besluit van 16 oktober 2009 ten onrechte niet heeft getoetst aan het ten tijde van de aanvraag geldende bestemmingsplan.
Gelet op het vorenstaande, behoeft de beroepsgrond van het college en [appellant sub 1] dat, gelet op de onduidelijke bouwtekening, niet buiten twijfel is dat feitelijk twee windturbines op het perceel kunnen worden gebouwd, geen bespreking meer.
De betogen falen.
2.6. De rechtbank heeft - zelf voorziend - het bezwaar van [appellant sub 1] tegen het besluit van 16 oktober 2009, voor zover ontvankelijk, alsnog ongegrond verklaard. Tegen dit onderdeel van de uitspraak van de rechtbank heeft [appellant sub 1] geen hoger beroep ingesteld. Reeds hierom faalt het ter zitting door [appellant sub 1] gevoerde betoog, dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn bezwaren met betrekking tot het welstandsaspect.
2.7. De hoger beroepen zijn ongegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.
2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen;
II. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van de Marne een griffierecht van € 454,00 (zegge: vierhonderdvierenvijftig euro) wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van staat.
w.g. Troostwijk w.g. Hanrath
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2012
392.