ECLI:NL:RVS:2012:BW4921
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning op grond van EU-burgerschap en gezinsleven
De vreemdeling, houder van de Ghanese nationaliteit, verzocht om wijziging van de beperking van haar verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de minister werd afgewezen en ingetrokken. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, waarna zij hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De vreemdeling voerde aan dat op grond van de arresten Ruiz Zambrano en Dereci van het Hof van Justitie van de Europese Unie zij recht zou hebben op verblijf met haar kinderen in Nederland, omdat haar kinderen EU-burgers zijn en het weigeren van verblijf haar kinderen het effectieve genot van hun rechten ontzegt. Zij stelde dat haar kinderen niet bij hun vader in Groot-Brittannië konden verblijven omdat hij geen gezag over hen heeft en zij de zorg draagt.
De Raad van State oordeelde dat het enkel feit dat de vader in een andere lidstaat woont niet betekent dat de kinderen verplicht zijn buiten de EU te verblijven. Er waren geen concrete aanwijzingen dat de vader niet in staat is zorg te dragen of dat de kinderen niet bij hem kunnen verblijven. De stelling dat de vader geen gezag heeft was onvoldoende onderbouwd. De Raad concludeerde dat de kinderen niet zodanig afhankelijk zijn van de vreemdeling dat zij als gevolg van het besluit feitelijk verplicht zijn buiten de EU te verblijven, en dat het effectieve genot van hun rechten niet is ontzegd.
Het hoger beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard en de intrekking van de verblijfsvergunning bevestigd.