Uitspraak
200204721/1), heeft de minister bij de toepassing van artikel 10 van Pro de RWN beoordelingsvrijheid waarvan de invulling primair tot zijn verantwoordelijkheid behoort.
200803906/1), ziet artikel 10 van Pro de RWN niet op feiten en omstandigheden, ambtelijk verzuim dan wel humanitaire redenen die gelegen zijn in andere procedures dan de naturalisatieprocedure. De naturalisatieprocedure en de verblijfsrechtelijke procedure op de voet van de Landsverordening toelating en uitzetting (hierna: de LTU) zijn gescheiden procedures. Vragen omtrent toelating horen in beginsel in een procedure op de voet van de LTU thuis. Het had dan ook op de weg van [appellante] gelegen om, indien zij het niet eens was met de ingangsdatum van de aan haar bij besluit van 11 maart 2010 verleende verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, een rechtsmiddel aan te wenden en in die procedure het gestelde verzuim aan de orde te stellen. Nu op grond van de overgelegde stukken en hetgeen [appellante] heeft aangevoerd, moet worden aangenomen dat zij dit heeft nagelaten, is het besluit van 11 maart 2010 in rechte onaantastbaar geworden en dienen de gevolgen hiervan voor haar rekening te komen. Het door [appellante] gestelde ambtelijk verzuim in de verblijfsrechtelijke procedure kan, gelet op het vorenstaande en het restrictieve karakter van artikel 10 van Pro de RWN, niet in de naturalisatieprocedure aan de orde komen.