2. Overwegingen
2.1. Ter zitting bij de Afdeling heeft de vreemdeling te kennen gegeven dat hij zijn eerste grief niet langer handhaaft.
2.2. In zijn tweede grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte niet gemotiveerd is ingegaan op de beroepsgrond dat zicht op uitzetting naar Mongolië ontbreekt.
De vreemdeling betoogt in dit kader, samengevat, dat de minister eerder heeft verklaard dat er in 2009 en 2010 vijf laissez passer zijn verstrekt door de Mongolische autoriteiten. Voorts heeft de minister ter zitting bij de rechtbank niet kunnen aangeven hoeveel laissez passer de Mongolische autoriteiten in 2011 hebben verstrekt. Dat de vreemdeling heeft verklaard dat hij niet terug wil keren naar Mongolië kan slechts worden tegengeworpen wanneer deze verklaring de uitzetting belemmert, nu hij heeft verklaard wel te willen meewerken aan de vaststelling van zijn personalia via de Mongolische ambassade, aldus de vreemdeling.
2.2.1. Gelet op de ter zitting bij de Afdeling door de minister verstrekte gegevens heeft de vreemdeling zijn betoog, dat zicht op uitzetting naar Mongolië in algemene zin ontbreekt, niet langer gehandhaafd.
De minister heeft in dit verband, samengevat en voor zover thans van belang, aangevoerd dat gedwongen terugkeer naar Mongolië mogelijk is voor gedocumenteerde en ongedocumenteerde vreemdelingen, indien zij de juiste persoonsgegevens verstrekken. Indien een vreemdeling niet wordt getraceerd in het Mongolische centrale registratiesysteem, kan een (telefonische) presentatie plaatsvinden. Wanneer dit niet tot resultaten leidt, wordt de aanvraag om afgifte van een laissez passer afgewezen. Indien de vreemdeling hierna aangeeft dat hij vrijwillig terug wil keren en kan onderbouwen dat hij afkomstig is uit Mongolië, kan echter alsnog een laissez passer worden verstrekt.
De minister heeft verklaard dat bij ongeveer de helft van de aanvragen om afgifte van laissez passer een identiteitsdocument of (verlopen) paspoort voorhanden was. In 2009 zijn ongeveer 60 aanvragen bij de autoriteiten van Mongolië ingediend. Er zijn ongeveer 5 laissez passer verstrekt. Ongeveer 5 vreemdelingen zijn uitgezet naar Mongolië. In 2010 zijn ongeveer 80 aanvragen ingediend, naar aanleiding waarvan ongeveer 10 laissez passer zijn verstrekt. Er zijn ongeveer 10 vreemdelingen uitgezet. In 2011 zijn ongeveer 150 aanvragen ingediend. Er zijn ongeveer 15 laissez passer verstrekt en ongeveer 10 vreemdelingen zijn uitgezet. In 2012 zijn er ongeveer 25 aanvragen ingediend. Er is 1 laissez passer verstrekt en ongeveer 5 vreemdelingen zijn uitgezet. Het aantal positieve reacties op de aanvragen om afgifte van laissez passer ligt hoger dan het aantal verstrekte documenten, aangezien deze na opheffingen van maatregelen van bewaring niet meer worden verstrekt.
De minister heeft aangevoerd dat de op 8 september 2011 ten behoeve van de vreemdeling ingediende aanvraag om afgifte van een laissez passer in behandeling is genomen. Hierop is nog geen afwijzing van de aanvraag of een verzoek om een (telefonische) presentatie ontvangen, zodat de uitzetting van de vreemdeling, indien hij zijn medewerking verleent, niet op voorhand kansloos geacht kan worden.
De vreemdeling verleent echter geen medewerking en levert evenmin een actieve en volledige bijdrage aan het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit, nu hij gedurende zijn asielprocedure heeft verklaard dat zijn identiteitskaart in Mongolië ligt en hij aan zijn verklaring, dat hij zijn familie hiernaar zal vragen, geen gevolg heeft gegeven, aldus de minister. Uit de met de vreemdeling gevoerde vertrekgesprekken, blijkt evenmin dat hij aantoonbaar activiteiten heeft verricht om zijn vertrek te bewerkstelligen. Hij heeft geen documenten overgelegd en heeft bovendien verschillende aliassen gevoerd. De verklaring van de vreemdeling dat hij wil meewerken aan de vaststelling van zijn identiteit wordt dan ook niet ondersteund door zijn gedrag. De weigering te tekenen voor de ontvangst van het verlengingsbesluit onderstreept de volharding van deze houding. De langere duur van de maatregel van de bewaring komt volgens de minister dan ook voor rekening en risico van de vreemdeling.
2.2.2. De vreemdeling heeft ter zitting bij de Afdeling zijn betoog, dat in zijn geval geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat, gehandhaafd, nu onduidelijk is hoe lang de behandeling van aanvragen om afgifte van laissez passer door de Mongolische autoriteiten duurt. De vreemdeling heeft voorts verklaard dat hij wil meewerken aan de vaststelling van zijn identiteit, dat hij in contact wil komen met de Mongolische autoriteiten en dat hij heeft gebeld naar de Mongolische ambassade. Dat hij heeft verklaard dat hij niet terug wil keren, is niet relevant. Dit heeft volgens de vreemdeling niet geleid tot belemmering van zijn uitzetting, nu in de procedure om verkrijging van een laissez passer nog geen herkenning in het Mongolische registratiesysteem heeft plaatsgevonden en evenmin een (telefonische) presentatie gepland is.
2.2.3. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat zij de verlenging van de vrijheidsontnemende maatregel na beoordeling van de door of namens de vreemdeling naar voren gebrachte beroepsgronden niet in strijd met de wet acht en dat deze bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is te achten.
De vreemdeling klaagt dan ook terecht dat de rechtbank, door aldus te overwegen, niet gemotiveerd is ingegaan op zijn beroepsgrond dat zicht op uitzetting naar Mongolië ontbreekt. Deze klacht leidt echter niet tot het ermee beoogde doel, gelet op het volgende.
2.2.4. Hoewel de vreemdeling heeft verklaard dat hij wil meewerken aan de vaststelling van zijn identiteit via de Mongolische ambassade en dat hij naar deze ambassade heeft gebeld, bestaat geen grond voor het oordeel dat de vreemdeling voldoende medewerking verleent.
In het verslag van het vertrekgesprek van 16 februari 2012 staat vermeld dat de vreemdeling bij die gelegenheid heeft verklaard dat hij geen pogingen heeft gedaan om een document te verkrijgen waarmee hij zijn personalia aan kan tonen. Naar de minister voorts onbestreden heeft aangevoerd, heeft de vreemdeling verscheidene aliassen gevoerd, heeft hij niet gepoogd zijn identiteitsbewijs uit Mongolië naar Nederland te laten verzenden en heeft hij ook overigens geen documenten overgelegd of activiteiten verricht om zijn vertrek uit Nederland te bewerkstelligen.
Dat niet op voorhand duidelijk is hoe lang de behandeling van de aanvraag om afgifte van een laissez passer zal duren, leidt niet tot het oordeel dat ten aanzien van de vreemdeling het zicht op uitzetting naar Mongolië ontbreekt, nu hij, gelet op het voorgaande, geen of onvoldoende medewerking verleent. De verlenging van de duur van de bewaring komt derhalve in zoverre voor rekening en risico van de vreemdeling.
De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat de minister tot verlenging van de termijn van de bewaring met ten hoogste twaalf maanden heeft mogen besluiten.
De grief faalt.
2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.