ECLI:NL:RVS:2012:BW5899

Raad van State

Datum uitspraak
8 mei 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201202733/1/A4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 POP-verordening (EG nr. 850/2004)Richtlijn 2006/12/EGRichtlijn 96/95/EGArtikel 8:81 Algemene wet bestuursrechtArtikel 8:86 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen bezwaar minister inzake overbrenging PCB-houdende afvalstoffen naar Duitsland

Bij besluit van 1 februari 2012 maakte de Minister bezwaar tegen het voornemen van verzoekster om gebruikte motor- en systeemolie met PCB-gehalte onder 20 mg/kg en EOX-gehalte onder 1.000 mg/kg uit te voeren naar een raffinaderij in Duitsland voor nuttige toepassing (herraffinage).

Verzoekster stelde beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening. De minister handhaafde het bezwaar op grond van artikel 7 van Pro de POP-verordening, stellende dat verwerking volgens R9 niet is toegestaan voor PCB-houdende afvalstoffen die vernietigd of onomkeerbaar moeten worden verwerkt.

Verzoekster betoogde dat de concentratiegrenswaarde van 50 mg/kg PCB niet werd overschreden en dat artikel 7, vierde lid, van de POP-verordening de verwerking R9 wel toestaat indien voldaan wordt aan communautaire regelgeving.

De voorzitter oordeelde dat de vraag of aan deze voorwaarde is voldaan niet in deze voorlopige voorziening kan worden beantwoord en verwees naar de bodemprocedure. Gezien het bedrijfsbelang van verzoekster en het milieubelang van de minister zag de voorzitter geen aanleiding voor een voorlopige voorziening.

Het verzoek werd daarom afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het ministerieel bezwaar tegen de overbrenging van PCB-houdende afvalstoffen naar Duitsland wordt afgewezen.

Uitspraak

201202733/1/A4.
Datum uitspraak: 8 mei 2012
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekster], gevestigd te Roosendaal,
en
de minister van Infrastructuur en Milieu,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 1 februari 2012 heeft de Minister bezwaar gemaakt tegen het voornemen van [verzoekster] om de afvalstoffen, zoals omschreven in het kennisgevingsformulier met kenmerk NL 614200, uit te voeren naar Mineralöl-Raffinerie Dollbergen te Duitsland.
Bij besluit van 10 april 2012 heeft de Minister het door [verzoekster] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [verzoekster] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 april 2012, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 17 april 2012.
Bij eerstgenoemde brief heeft [verzoekster] tevens de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 20 april 2012, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door R.S. Keller en A.C.P. Nijdam, bijgestaan door mr. R.G.J. Laan, advocaat te Hoorn, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.A. Ziel, mr. J.J. Teeninga en T.S. ter Veen, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. [verzoekster] heeft kennisgeving gedaan voornemens te zijn in de periode van 1 maart 2012 tot en met 28 februari 2015 gebruikte motor- en systeemolie met een gehalte polychloorbifenylen (hierna: PCB's) beneden 20 mg/kg en een EOX-gehalte beneden de 1.000 mg/kg over te brengen naar Mineralöl-Raffinerie Dollbergen te Duitsland. De verwerkingswijze van deze afvalstoffen is op het kennisgevingsformulier met kenmerk NL 614200 aangemerkt als een handeling van nuttige toepassing als bedoeld in de bij Richtlijn 2006/12/EG, behorende bijlage IIB, categorie R9, te weten de herraffinage van afgewerkte olie en ander hergebruik van reeds gebruikte olie. De oliestroom wordt in Duitsland opgewerkt tot nieuwe smeerolie.
2.3. Ter zitting heeft de minister bevestigt dat het besluit van 10 april 2012, waarbij het bezwaar tegen de overbrenging van de gebruikte motor- en systeemolie in stand is gehouden, is gebaseerd op artikel 7 van Pro de verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende persistente organische verontreinigende stoffen en tot wijziging van Richtlijn 79/117/EEG, gewijzigd bij verordening (EU) nr. 756/2010 van de Commissie van 24 augustus 2010 (hierna: de POP-verordening).
De minister stelt dat artikel 7 van Pro de POP-verordening de in de kennisgeving vermelde wijze van verwerking, R9, niet toestaat. Uit artikel 7, tweede lid, van de POP-verordening volgt volgens de minister dat het resterende afval en de vrijkomende stoffen geen kenmerken van persistente organische verontreinigende stoffen meer mag vertonen, waaronder ingevolge bijlage V, deel 1, PCB's zijn begrepen. Deze dienen te worden vernietigd dan wel onomkeerbaar omgezet. De POP-verordening schrijft voor onderhavige PCB-houdende afvalstoffen dwingend een verwerking voor door middel van D9 of D10, aldus de minister.
2.4. [verzoekster] betoogt dat artikel 7, vierde lid, aanhef en onder a, van de POP-verordening de voorgenomen verwerking R9 wel toetstaat. Volgens haar kan uit dat artikel worden afgeleid dat artikel 7, tweede lid, van de POP-verordening of enig andere belemmering niet van toepassing is, indien voldaan wordt aan de in bijlage IV van de POP-verordening voor PCB's vastgestelde concentratiegrenswaarde van 50 mg/kg. [verzoekster] wijst in dit verband ook op the Stockholm Convention on Persistant Organic Pollutions, de technical guidelines bij dat verdrag en de richtlijn 96/95/EG van de Raad van 16 september 1996 betreffende de verwijdering van polychloorbifenylen en polychloorterfenylen (PCB's/PCT's), de PCB-richtlijn.
2.5. Niet in geschil is dat de concentratiegrenswaarde voor PCB'S van 50 mg/kg niet wordt overschreden. Derhalve behoeft de vraag beantwoording of voldaan is aan de in artikel 7, vierde lid, aanhef en onder a, van de POP-verordening opgenomen voorwaarde dat de verwijdering of nuttige toepassing op een andere manier in overeenstemming met de toepasselijke communautaire regelgeving plaatsvindt.
2.5.1. Volgens [verzoekster] is aan deze voorwaarde voldaan, omdat voldaan is aan de concentratiegrenswaarde van 50 mg/kg.
2.5.2. Volgens de minister is niet voldaan aan de onder 2.5 vermelde voorwaarde, omdat de verwerking niet leidt tot vernietiging of onomkeerbare omzetting van de PCB'S. De minister heeft in dit verband nog naar artikel 7, derde lid, van de POP-verordening verwezen ingevolge welke bepaling handelingen van verwijdering of nuttige toepassing die kunnen leiden tot nuttige toepassing, recycling of hergebruik van in bijlage IV vermelde stoffen, worden verboden.
2.5.3. Naar het oordeel van de voorzitter leent de vraag of aan de onder 2.5.1 vermelde voorwaarde is voldaan zich niet voor beantwoording in deze procedure. Zij kan slechts in de bodemprocedure worden beantwoord. Omdat nader onderzoek vereist is, is er geen aanleiding om met toepassing van artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht op het beroep te beslissen.
2.6. [verzoekster] heeft naar voren gebracht dat zij een partij afval die vervuild is met PCB'S in een tank heeft opgeslagen en dat deze ten behoeve van de doorloop van de bedrijfsvoering moet worden afgevoerd. Deze partij afval kan vanwege het gehalte PCB'S, anders dan gebruikelijk, niet worden overgebracht naar een afvalverwerkingsbedrijf in Delfzijl. Het afvalverwerkingsbedrijf in Duitsland heeft wel een vergunning om deze afvalstoffen tot een nuttige toepassing te verwerken. Hiervoor ontvangt [verzoekster] een vergoeding. De afvalstoffen kunnen in België worden vernietigd, maar daarvoor moet zij betalen. In dit financiële en bedrijfsbelang van [verzoekster] ziet de voorzitter, afgewogen tegen het milieubelang dat de minister behartigt, onvoldoende aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening, mede in aanmerking genomen dat het verwerken in Duitsland niet valt terug te draaien indien het beroep ongegrond wordt verklaard.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W. Heijninck, ambtenaar van staat.
w.g. Van Kreveld w.g. Heijninck
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2012
552.