ECLI:NL:RVS:2012:BW5951
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering standplaatsvergunning ter bescherming uiterlijk aanzien gemeente Den Haag
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag weigerde op 6 mei 2010 aan appellant een vergunning voor het innemen van een standplaats op een specifieke locatie voor de verkoop van broodjes, worst en koffie. Appellant maakte bezwaar tegen deze weigering, dat door het college ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant eveneens ongegrond. Appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat het college zich op het standpunt stelde een terughoudend beleid te voeren bij het verlenen van standplaatsvergunningen, gebaseerd op de Straathandelverordening en de Kadernota Openbare Ruimte. De weigering was gebaseerd op de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, een geldige weigeringsgrond volgens artikel 4 van Pro de verordening.
Appellant voerde diverse bezwaren aan, waaronder dat de rechtbank buiten de gedingomvang was getreden en dat het college niet bevoegd was een terughoudend beleid te voeren. Deze bezwaren werden verworpen. Ook het betoog dat het college onvoldoende motivering gaf voor het afwijken van het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften faalde, omdat het college de motivering had hersteld en toegelicht.
De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van de standplaatsvergunning en wijst het hoger beroep ongegrond.