AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging bestemmingsplan Roerdelta fase 1 voor plandelen nabij woningen Molenweg wegens onvoldoende motivering bezonning
De raad van de gemeente Roermond stelde op 31 maart 2011 het bestemmingsplan "Roerdelta fase 1" vast. Diverse bewoners van Roermond en een onderneming stelden beroep in tegen dit besluit. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelde de zaak en oordeelde bij een tussenuitspraak dat het besluit in strijd was met artikel 3:2 enPro 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat het bezonningsonderzoek ontbrak voor de kortste dag van het jaar en de motivering onvoldoende was.
De raad herstelde het gebrek door een aanvullende bezonningsstudie te laten verrichten en motiveerde het besluit nader. De Afdeling concludeerde dat de invloed van de toegestane bebouwing op de bezonning en woonkwaliteit niet onevenredig nadelig was, mede gelet op de stedelijke ligging. De beroepen van enkele appellanten werden ongegrond verklaard, maar die van twee bewoners aan de Molenweg werden gegrond verklaard en het besluit voor de betreffende plandelen vernietigd.
Desondanks bepaalde de Afdeling dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven voor de betreffende plandelen, omdat de raad het gebrek had hersteld. De raad werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan één appellant en tot vergoeding van griffierechten aan twee appellanten. De uitspraak werd gedaan door de voorzitter en twee leden in aanwezigheid van een ambtenaar van staat.
Uitkomst: Het bestemmingsplan werd vernietigd voor de plandelen nabij de woningen aan de Molenweg wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen bleven in stand na herstel door de raad.
Uitspraak
201105489/1/R1.
Datum uitspraak: 16 mei 2012
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellant sub 1], wonend te Roermond,
2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], wonend te Roermond,
3. [appellant sub 3], wonend te Roermond,
4. [appellant sub 4] en anderen, wonend te Roermond,
5. [appellante sub 5], gevestigd te Herten, gemeente Roermond, (hierna: [appellante sub 5])
appellanten,
en
de raad van de gemeente Roermond,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 31 maart 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Roerdelta fase 1" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 mei 2011, [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 mei 2011, [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 mei 2011, [appellant sub 4] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 mei 2011, en [appellante sub 5] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 mei 2011, beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De raad heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 oktober 2011, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. W.B. de Kleuver, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand, [appellanten sub 2], in persoon, [appellant sub 3], bijgestaan door M.C.J. Pesch, [appellant sub 4] en anderen, in de personen van [gemachtigden], [appellante sub 5], vertegenwoordigd door mr. H.M.J.G. Neelis, werkzaam bij Neelis omgevingsrechtjuristen B.V., en de raad, vertegenwoordigd door mr. M.G.G. van Nisselroij, advocaat te Venlo, mr. B.J.H.T. Heesakkers, F. Boonen, R. Ottenheim en G.H. J. Louwers, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord Roerdelta Projectontwikkelingsmaatschappij B.V., vertegenwoordigd door mr. H.H.B. Lamers, advocaat te Maastricht, ing. W.E.J. Scheijen, werkzaam bij Aveco de Bondt, en ir. M.P.A. Vijgenboom, werkzaam bij Roerdelta Projectonwikkelingsmaatschappij B.V..
Bij tussenuitspraak van 25 januari 2012 heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 12 weken na verzending van de tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 31 maart 2011 te herstellen.
Bij brief van 9 maart 2012, bij de Raad van State ingekomen op 12 maart 2012, heeft de raad aangegeven het gebrek op 16 februari 2012 te hebben hersteld.
Bij brief van 14 maart 2012 zijn [appellant sub 1] en [appellant sub 3] in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen over de wijze waarop het gebrek is hersteld naar voren te brengen. Zij hebben hiervan geen gebruik gemaakt.
De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Ten aanzien van de hoogte van de toegelaten bebouwing nabij de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 3], heeft de Afdeling bij de tussenuitspraak overwogen dat het besluit van 31 maart 2011 in strijd is met artikel 3:2 enProartikel 3:46 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), nu in de verrichte bezonningsstudies een weergave van de bezonning op de kortste dag van het jaar ontbreekt en de raad niet heeft onderbouwd waarom dit ongebruikelijk is noch waarom daaruit zou voortvloeien dat de situatie van dat moment niet inzichtelijk moet worden gemaakt. Bij tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om:
1. met inachtneming van hetgeen in 2.15.2 is overwogen het besluit van 31 maart 2011 te herstellen door alsnog de bezonning op de bestaande woningen aan de Molenweg op de kortste dag te onderzoeken en alsnog de met het plan toegestane hoogte van de nieuw te bouwen woningen aan de voor- en achterzijde van de bestaande woningen aan de Molenweg uit een oogpunt van bezonning toereikend te motiveren, dan wel het bestreden besluit op dit onderdeel te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling. In het laatste geval dient het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt te worden;
2. de uitkomst aan de Afdeling mede te delen.
2.2. De raad heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak het besluit nader gemotiveerd, waarbij hij zich baseert op de bezonningsstudie verricht door Palmbout, Urban Landscapes, van 26 januari 2012 waarin een weergave is opgenomen van de bezonning op de kortste dag van het jaar. De raad acht de invloed vanuit het oogpunt van bezonning van de met het plan toegestane hoogte van de nieuw te bouwen woningen op de woonkwaliteit langs de Molenweg niet onevenredig nadelig. De vermindering van de bezonning is niet zodanig dat de omwonenden als gevolg van de toegestane bebouwing een onevenredige aantasting van hun woon- en leefklimaat zullen ondervinden. Dit geldt zeker in aanmerking genomen dat het plangebied is gelegen in stedelijk gebied.
2.3. In de conclusie van de bezonningsstudie van 26 januari 2012 staat dat de situatie per 21 maart het meest veelzeggend is omdat ze de gemiddelde bezonningssituatie over het hele jaar weergeeft. In deze situatie treedt als gevolg van de realisering van de in het plan voorziene bebouwing een bescheiden verandering op ten opzichte van de huidige situatie: tot 11 uur valt er ten gevolge van de nieuwe bebouwing schaduw op een deel van de voorgevels. De rest van de dag zijn de woningen vanwege hun noord-zuidligging uitstekend bezond. De situatie per 21 december is een meer uitzonderlijke situatie, het betreft de kortste dag met de minste zon, welke dus maar 1 maal per jaar voorkomt. Op die dag valt er tot ongeveer 13 uur schaduw van de nieuwe bebouwing op de voorgevels van de Molenweg. Voorts volgt uit de studie dat gedurende de hele middag in alle seizoenen volop zon is in de op het westen gelegen achtertuinen.
Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de afname van de bezonning als gevolg van het plan op dit punt voor [appellant sub 1] en [appellant sub 3] zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan in zoverre zijn gemoeid. Hierbij is ook van belang dat het plangebied direct grenst aan het centrumgebied en kan worden aangemerkt als een binnenstedelijke locatie. Het betoog van [appellant sub 1] en [appellant sub 3] ten aanzien van de bezonning van hun woningen faalt.
2.4. Gezien de tussenuitspraak zijn de beroepen van [appellanten sub 2], [appellant sub 4] en anderen en [appellante sub 5] ongegrond.
Gelet op hetgeen is overwogen in overweging 2.15.2 van de tussenuitspraak berust het bestreden besluit, voor zover dit betreft plandelen met de bestemming "Wonen-3" gelegen in de nabijheid van de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 3], niet op een zorgvuldige voorbereiding en een deugdelijke motivering. De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 3] zijn in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 enProartikel 3:46 vanPro de Awb te worden vernietigd.
2.5. Gelet op hetgeen is overwogen onder 2.3 heeft de raad alsnog de bezonning op de kortste dag van het jaar laten onderzoeken en het bestreden besluit in zoverre alsnog toereikend gemotiveerd. De Afdeling zal daarom met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, voor zover dit betreft de plandelen met de bestemming "Wonen-3" gelegen in de nabijheid van de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 3], in stand blijven.
2.6. De raad dient op na te melden wijzen tot vergoeding in de proceskosten van [appellant sub 1] veroordeeld. Voor vergoeding van de kosten gemaakt in de bestuurlijke voorprocedure bestaat reeds geen aanleiding, omdat niet is gebleken van tijdens de voorbereidingsprocedure gemaakte kosten. Wat betreft [appellant sub 3] is niet gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende kosten. Ten aanzien van [appellanten sub 2], [appellant sub 4] en anderen en [appellante sub 5] bestaat daartoe geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 3] gegrond;
II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Roermond van 31 maart 2011, kenmerk , voor zover dit betreft de plandelen met de bestemming "Wonen-3" gelegen in de nabijheid van de woningen aan de Molenweg 22a en 38;
III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven voor zover dit betreft de onder II genoemde plandelen;
IV. verklaart de beroepen van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 4] en anderen en [appellante sub 5] ongegrond;
V. veroordeelt de raad van de gemeente Roermond tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VI. gelast dat de raad van de gemeente Roermond aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 1] en € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 3] vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.G.C. Wiebenga, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van staat.