Grief 1
2.8. De vreemdeling klaagt, samengevat, dat de rechtbank, met de hiervoor onder 2.5., weergegeven overweging, heeft miskend dat artikel 6, eerste lid, eerste streepje, van besluit nr. 1/80 betrekking heeft op een arbeidsvergunning, terwijl hij heeft beschikt over een verklaring 'arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist'. Omdat een werkgever door deze verklaring niet over een arbeidsvergunning behoeft te beschikken, wordt het nuttig effect van voormeld artikel 6, eerste lid, eerste streepje te niet gedaan, indien de desbetreffende vreemdeling vanwege deze verklaring niet onder de werkingssfeer van deze bepaling zou vallen. Uit de rechtspraak van het Hof volgt niet dat een vreemdeling die over deze aantekening heeft beschikt net als bij een arbeidsvergunning moet voldoen aan de voorwaarde van voormeld artikel 6, eerste lid, eerste streepje, om aanspraak te maken op voortgezet verblijf. Indien dit betoog niet wordt gevolgd, dient op dit punt een prejudiciële vraag te worden gesteld, aldus de vreemdeling.
2.8.1. Uit het systeem van de Wabw, hiervoor onder 2.2. weergegeven, volgt dat een aan de betrokken vreemdeling verleende verblijfsvergunning voor verblijf bij Nederlandse echtgeno(o)t(e) een bij of krachtens deze wet geregelde vrijstelling behelst van het vereiste dat een werkgever over een TWV dient te beschikken om de betrokken vreemdeling arbeid te laten verrichten. Het verlenen van een zodanige verblijfsvergunning heeft hetzelfde gevolg als het verlenen van een TWV, te weten dat de betrokken vreemdeling toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt verkrijgt en arbeid mag verrichten.
Hieruit volgt dat op een Turkse onderdaan die in het bezit is van een verblijfsvergunning als vorenbedoeld, artikel 6, eerste lid, van besluit nr. 1/80 van toepassing is indien hij arbeid gaat verrichten. Die onderdaan behoort immers tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat, omdat hij de wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften van de betrokken lidstaat inzake arbeid in acht heeft genomen en dus het recht heeft in die staat een beroepsactiviteit uit te oefenen. Ook is in dat geval sprake van legale arbeid, omdat de situatie van die onderdaan op de arbeidsmarkt stabiel en niet-voorlopig is, en het verblijfsrecht niet omstreden is (zie het arrest van het Hof van 26 november 1998, C-1/97, Birden, punten 51 en 55, het arrest van 10 februari 2000, C-340/97, Nazli, punt 31 en het arrest van 19 november 2002, C-188/00, Kurz, punten 39 en 48; www.curia.europa.eu).
De vreemdeling betoogt dan ook terecht dat, omdat hij heeft beschikt over een verblijfsvergunning voor verblijf bij Nederlandse echtgenote artikel 6, eerste lid, van besluit nr. 1/80 op hem van toepassing is.
2.8.2. Het door de vreemdeling aan dat betoog verbonden gevolg dat hij niet hoeft te voldoen aan de in voormeld artikel 6, eerste lid, eerste streepje gestelde voorwaarde van ten minste één jaar arbeid bij dezelfde werkgever omdat hij heeft beschikt over een verblijfsvergunning en niet over een arbeidsvergunning in de zin van deze bepaling kan evenwel niet worden onderschreven.
Het Hof heeft in het arrest van 6 juni 1995, C-434/93, Bozkurt, punt 27 (www.curia.europa.eu; hierna: het arrest Bozkurt) overwogen dat het legale karakter van arbeid moet worden beoordeeld in het licht van de wetgeving van de lidstaat van ontvangst, die de voorwaarden bepaalt waaronder arbeid wordt verricht. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.8.1. is overwogen, betekent het verlenen van bedoelde verblijfsvergunning of een TWV dat aan de voor het verrichten van arbeid naar nationaal recht gestelde voorwaarden is voldaan.
Uit de bewoordingen van punt 29 ("tewerkstellingsvergunning of verblijfsvergunning") van het arrest Bozkurt en de punten 35 (“verblijfs – en/of arbeidsvergunningen”) en 49 (“arbeids – of verblijfsvergunning”) van het arrest van het Hof van 30 september 1997, C-36/96, Günaydin (www.curia.europa.eu) kan worden afgeleid dat in het kader van artikel 6, eerste lid, eerste streepje, van besluit nr. 1/80 arbeid niet alleen legaal kan zijn met een arbeidsvergunning, maar ook met een verblijfsvergunning of een combinatie van beide vergunningen.
Uit deze arresten kan daarom worden opgemaakt dat het begrip 'arbeidsvergunning' in artikel 6, eerste lid, eerste streepje, van besluit nr. 1/80 betrekking heeft op elke overeenkomstig het nationale recht van de betrokken lidstaat van de Europese Unie verleende vergunning, ongeacht de aanduiding, op grond waarvan een Turkse onderdaan arbeid in deze lidstaat mag verrichten.
Dat betekent dat de vreemdeling die heeft beschikt over een verblijfsvergunning voor verblijf bij Nederlandse echtgenote aan de in artikel 6, eerste lid, eerste streepje, van besluit nr. 1/80 gestelde voorwaarde van het verrichten van een ononderbroken periode van één jaar legale arbeid in dienst van één en dezelfde werkgever dient te voldoen om daaraan rechten te ontlenen (zie ook het arrest van het Hof van 29 mei 1997, C-386/95, Eker, punt 31; www.curia.europa.eu).
2.8.3. In het licht van het voorgaande bestaat, gelet op het arrest van het Hof van 6 oktober 1982, zaak 283/81, Cilfit, punten 13 en14, (www.curia.europa.eu) geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aangezien de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Grief 1 faalt.