ECLI:NL:RVS:2012:BW6336

Raad van State

Datum uitspraak
23 mei 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201107421/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 verordening naamgeving en adressering gemeente Leudal 2008Art. 1 verordening naamgeving en adressering gemeente Leudal 2008
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging huisnummerverlening voormalige schuur als adresseerbaar object

Het college van burgemeester en wethouders van Leudal heeft op 22 september 2010 een huisnummer toegekend aan een voormalige schuur op het perceel van appellant te Roggel. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het college werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat de voormalige schuur ten onrechte als adresseerbaar object werd aangemerkt en dat het college in strijd met beleid handelde door 'achter de voordeur' te adresseren.

De Raad van State overwoog dat de voormalige schuur een zelfstandig gebouw is met eigen woonvoorzieningen en een eigen toegang vanaf het erf, evenals een ontsluiting via een poort naar de openbare weg. Foto's bevestigen de situatie met twee gebouwen op een gemeenschappelijk erf met meerdere poorten. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat dit voldoet aan de definitie van een adresseerbaar object volgens de gemeentelijke verordening.

De Raad van State wees ook het argument af dat gedeelde nutsvoorzieningen, het ontbreken van een eigen brievenbus of het bezit van sleutels aan de poorten van belang zouden zijn voor de kwalificatie. Ook het verwijt dat het college het huisnummer onterecht opnieuw toekende na vervallen nummer uit 1995 werd verworpen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

201107421/1/A3.
Datum uitspraak: 23 mei 2012
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Roggel, gemeente Leudal,
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 29 juni 2011 in zaak nr. 11/236, in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Leudal,
1. Procesverloop
Bij besluit van 22 september 2010 heeft het college huisnummer [locatie 1] toegekend aan de op het perceel [locatie 2] te Roggel gelegen voormalige schuur.
Bij besluit van 8 februari 2011 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 29 juni 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 juli 2011, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting op 27 april 2012 aan de orde gesteld.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de verordening naamgeving en adressering gemeente Leudal 2008 (hierna: de verordening) kent het college aan elk adresseerbaar object een adres toe, bestaande uit een combinatie van woonplaatsnaam, naam openbare ruimte en nummeraanduiding.
Ingevolge artikel 1, onder b, is een adresseerbaar object, voor zover van belang, een verblijfsobject gelegen op het gemeentelijk grondgebied.
Ingevolge artikel 1, onder n, is een verblijfsobject de kleinste binnen één of meerdere panden gelegen en voor woon-, bedrijfsmatige- of recreatieve doeleinden geschikte eenheid van gebruik, die ontsloten wordt via een eigen toegang vanaf de openbare weg, een erf of een gedeelde verkeersruimte en die onderwerp kan zijn van rechtshandelingen.
2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de voormalige schuur een adresseerbaar object is. Hij voert hiertoe aan dat de rechtbank bij haar oordeel is uitgegaan van onjuiste feiten en niet is ingegaan op de stelling dat in strijd met het beleid is gehandeld door 'achter de voordeur' te adresseren. Daarnaast stelt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte geen betekenis heeft toegekend aan het feit dat het college vanaf 1995 is uitgegaan van één object en dat de inwerkingtreding van de Wet basisregistraties adressen en gebouwen geen relevant verschil met zich heeft gebracht.
2.3. De voormalige schuur waaraan huisnummer [locatie 1] is toegekend is een afzonderlijk gebouw op het achtererf van [appellant] dat wordt bewoond door de zoon van [appellant] en zijn gezin en beschikt over eigen woonvoorzieningen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat dit gebouw kan worden gekwalificeerd als eenheid van gebruik die geschikt is voor woondoeleinden.
Omtrent de ontsluiting heeft de rechtbank overwogen dat de betrokken wooneenheid wordt ontsloten door een eigen toegang vanaf het erf van [appellant] en daarnaast ook kan worden ontsloten via een poort in de zijkant van het perceel welke leidt naar de openbare weg. In hetgeen [appellant] in hoger beroep aanvoert ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank is uitgegaan van onjuiste feiten. Uit de door [appellant] bij brief van 10 oktober 2011 overgelegde foto's blijkt dat het gaat om twee gebouwen, de boerderij van [appellant] en de voormalige schuur, met een gemeenschappelijk ommuurd erf. Op deze foto's is te zien dat de voormalige schuur een deur heeft die uitkomt op dit erf. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat de betrokken wooneenheid wordt ontsloten door een eigen toegang vanaf het erf. Voorts is te zien dat in de muren waarmee het erf wordt omringd zich drie poorten bevinden die, zo is ter zitting bevestigd, alle vanaf het erf zijn te bereiken. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat het gebouw daarnaast wordt ontsloten via een poort aan de zijkant van het perceel welke leidt naar de openbare weg.
Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het college de betrokken wooneenheid terecht heeft gekwalificeerd als adresseerbaar object. Aan het door [appellant] gestelde inzake de gedeelde nutsvoorzieningen en riolering en het ontbreken van een eigen brievenbus heeft de rechtbank terecht geen betekenis toegekend, nu dit voor de kwalificatie als adresseerbaar object niet van belang is. Evenmin is van belang wie de sleutel van de poort(en) in bezit heeft en dat deze poort(en) alleen vanaf één zijde te openen zijn. Voor zover [appellant] verwijst naar een passage in de toelichting op de verordening inzake adresseren 'achter de voordeur', overweegt de Afdeling dat deze passage niet van toepassing is op dit geval, nu, mede gelet op de in de toelichting genoemde voorbeelden van adresseren 'achter de voordeur', de in deze passage genoemde inwoning niet aan de orde is.
De rechtbank heeft tot slot met juistheid overwogen dat het college op basis van de thans geldende regelgeving gehouden was opnieuw een huisnummer toe te kennen en dat het feit dat in 1995 het oorspronkelijk toegekende huisnummer is vervallen niet afdoet aan deze verplichting.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, ambtenaar van staat.
w.g. Borman w.g. Langeveld-Mak
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2012
317.