Art. 1 Voorschriften bestemmingsplan Noord 1991Art. 6 lid 5 onder g Voorschriften bestemmingsplan Noord 1991
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bestuursrechtelijke toetsing weigering bouwvergunning voor woninguitbreiding in Hilversum
Het college van burgemeester en wethouders van Hilversum weigerde een reguliere bouwvergunning voor de vergroting van een woning op een perceel in Hilversum. Het bezwaar van appellant tegen deze weigering werd ongegrond verklaard en de rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep eveneens ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat de vergroting als kap moest worden aangemerkt, wat volgens hem een andere beoordeling zou rechtvaardigen.
De Raad van State overwoog dat de term kap niet in het bestemmingsplan was gedefinieerd en dat de rechtbank terecht aansluiting zocht bij de definitie van dakopbouw in het bestemmingsplan en het normale taalgebruik. De constructie aan de achterzijde van de woning betrof een muur die deel uitmaakt van de achtergevel en niet van het samenstel dat de dakbedekking draagt, zodat de vergroting niet als kap kon worden aangemerkt.
Verder werd geoordeeld dat een eerder verleende vergunning voor een vergelijkbaar bouwplan op een ander perceel ten onrechte was verleend, maar dat dit geen aanleiding gaf om de weigering van appellant onrechtmatig te verklaren. De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de bouwvergunning bevestigd.
Uitspraak
201111257/1/A1.
Datum uitspraak: 13 juni 2012
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Lelystad,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 september 2011 in zaak nr. 10/5306 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Hilversum.
1. Procesverloop
Bij besluit van 18 september 2009 heeft het college geweigerd aan [appellant] een reguliere bouwvergunning te verlenen voor het vergroten van de woning op het perceel [locatie] te Hilversum.
Bij besluit van 22 september 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, geweigerd ontheffing te verlenen en het besluit van 18 september 2009, onder aanvulling van de motivering ervan, gehandhaafd.
Bij uitspraak van 9 september 2011, verzonden op 13 september 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 oktober 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 22 november 2011.
Het college heeft een nader stuk ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 mei 2012, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], is verschenen.
2. Overwegingen
2.1. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de vergroting niet als een kap kan worden aangemerkt. Hij voert daartoe aan dat de rechtbank in navolging van het college ten onrechte de definitie van de term kap heeft ontleend aan de definitie van de term dakopbouw in de bestemmingsplanvoorschriften.
2.2. Ingevolge artikel 1 vanPro de voorschriften van het ten tijde van de aanvraag geldende bestemmingsplan "Noord", vastgesteld in 1991 (hierna: Noord 1991), wordt onder bouwlaag verstaan een gedeelte van een gebouw, dat wordt begrensd door twee horizontaal gelegen vloeren of balklagen en wordt omsloten door opgaande (buiten)muren, met uitzondering van onderbouwen en dakopbouwen.
Ingevolge dit artikel wordt onder dakopbouw verstaan het gedeelte van een gebouw boven de bovenste bouwlaag, waarvan de wanden schuin (kap) dan wel terugliggend ten opzichte van de gevelwanden er onder zijn uitgevoerd, op een zodanige wijze dat voor het aanzien sprake is van een bijzondere c.q. afwijkende vorm in vergelijking met de ondergelegen bouwlagen.
Ingevolge artikel 6, vijfde lid, onder g, is boven het op de plankaart vermelde maximale aantal bouwlagen op een hoofdgebouw een kap c.q. dakopbouw toegestaan, waarvan de hoogte niet meer mag bedragen dan 4 m boven het plafond van de ondergelegen bouwlaag.
2.3. Niet in geschil is dat ter plaatse maximaal twee bouwlagen zijn toegestaan en dat de voorziene derde laag niet als een bouwlaag als bedoeld in het bestemmingsplan kan worden aangemerkt.
2.4. In het bestemmingsplan "Noord 1991" ontbreekt een definitie van de term kap. De rechtbank heeft in navolging van het college voor het antwoord op de vraag wat onder die term moet worden verstaan aansluiting gezocht bij de definitie van de term dakopbouw, zoals gedefinieerd in artikel 1 vanPro de voorschriften van het bestemmingsplan "Noord 1991". Gelet op de bewoordingen van artikel 6, vijfde lid, onder g, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Noord 1991" komt aan de term kap een eigen betekenis toe. De term kap is daarin immers afzonderlijk, naast de term dakopbouw, vermeld. Het betoog is terecht voorgedragen.
De Afdeling ziet hierin echter geen reden voor vernietiging van de aangevallen uitspraak. Nu de term kap niet in het bestemmingsplan is gedefinieerd, wordt voor de betekenis daarvan aansluiting gezocht bij de omschrijving die daaraan volgens het "Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal" in het normaal spraakgebruik wordt gegeven. De term kap is daarin omschreven als een samenstel van houten, metalen of betonnen onderdelen die de dakbedekking draagt. Anders dan [appellant] stelt kan de rechtopstaande muur aan de achterzijde van de woning niet worden aangemerkt als een onderdeel van een samenstel dat de dakbedekking draagt. Blijkens het bouwplan bestaat de constructie aan de achterzijde uit een muur met een hoogte van ongeveer 2 m vanaf de vloer op de tweede bouwlaag, die loodrecht, direct en volledig in het verlengde van de muur van de twee onderste bouwlagen is voorzien. De muur maakt daarmee deel uit van de achtergevel van de woning en niet van het samenstel dat de dakbedekking draagt. Gelet hierop heeft de rechtbank, zij het op onjuiste gronden, terecht in navolging van het college geoordeeld dat de vergroting als voorzien in het bouwplan niet als kap kan worden aangemerkt en dat het bouwplan daarom in strijd is met het bestemmingsplan.
2.5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft kunnen oordelen dat de verlening van de vergunning voor het bouwplan Celsiuslaan 12 te Hilversum enkel een fout betrof. Het college heeft zich immers aanvankelijk op het standpunt gesteld dat, hoewel beide bouwplannen op zich zelf gelijk waren, de situatie ter plaatse van Celsiuslaan 12 uit een oogpunt van welstand niet te vergelijken was met de situatie ter plaatse van zijn perceel.
2.6. Ter plaatse van het perceel Celsiuslaan 12 golden dezelfde bebouwingsvoorschriften als voor het perceel van [appellant]. Gelet op hetgeen onder 2.4 is overwogen, heeft de rechtbank terecht in navolging van het college geoordeeld dat ook het bouwplan voor Celsiuslaan 12 in strijd met het bestemmingsplan "Noord 1991" was en dat de bouwvergunning voor dat perceel derhalve ten onrechte is verleend. Die verlening betrof derhalve een fout, ook al is dat pas later door het college onderkend. Het gelijkheidsbeginsel strekt niet zo ver, dat het college een eenmaal gemaakte fout moet herhalen. Het betoog faalt.
2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.
2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van staat.