ECLI:NL:RVS:2012:BW8151

Raad van State

Datum uitspraak
13 juni 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201107695/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • P. van Dijk
  • W. van Hardeveld
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 WpbrArt. 8 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen intrekking leidinggevende toestemming KNB Security

De minister van Justitie trok bij besluit van 21 mei 2010 de eerder verleende toestemming aan appellant om mede leiding te geven aan KNB Security in. Deze intrekking volgde op een overtreding van de Wegenverkeerswet 1994 en een incident met een buitengewoon opsporingsambtenaar. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in bij de rechtbank, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellant hoger beroep in bij de Raad van State.

Tijdens de zitting bracht de staatssecretaris naar voren dat KNB Security niet meer bestaat, waardoor appellant geen belang meer heeft bij het behoud van de toestemming. Appellant stelde dat het hoger beroep nog steeds relevant is voor een eventuele nieuwe aanvraag, omdat hetzelfde toetsingskader geldt.

De Raad van State oordeelde dat de toestemming aan de beveiligingsorganisatie wordt verleend en niet aan de persoon, en dat het ontbreken van het bedrijf de grondslag van de toestemming heeft doen vervallen. Daarom ontbreekt het appellant aan belang bij het hoger beroep, dat daarom niet-ontvankelijk wordt verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang.

Uitspraak

201107695/1/A3.
Datum uitspraak: 13 juni 2012
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Etten-Leur,
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 25 mei 2011 in
zaak nr. 10/4330 in het geding tussen:
[appellant]
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 21 mei 2010 heeft de minister van Justitie (hierna: de minister) de op 19 november 2009 met betrekking tot [appellant] verleende toestemming om mede leiding te mogen geven aan "KNB Security" ingetrokken.
Bij besluit van 23 augustus 2010 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 25 mei 2011, verzonden op 6 juni 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 juli 2011, hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (hierna: de staatssecretaris) heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak gevoegd met zaak nr. 201107697/1/A3 ter zitting behandeld op 3 mei 2012, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. T. van Riel, advocaat te Breda, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door F.E.I.H. Muijtjens, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: de Wpbr) stelt een beveiligingsorganisatie of recherchebureau aan welke een vergunning is verleend geen personen te werk die belast zullen worden met de leiding van de organisatie of het bureau, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van de minister.
Ingevolge het vijfde lid wordt de toestemming, bedoeld in het eerste lid, onthouden indien de desbetreffende persoon niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk.
Ingevolge het zesde lid kan de toestemming, bedoeld in het eerste lid, worden ingetrokken indien zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan de toestemming niet zou zijn verleend, indien zij zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest op het tijdstip waarop de toestemming werd verleend.
2.2. De minister heeft aan het bij de rechtbank bestreden besluit ten grondslag gelegd dat uit het Uittreksel Justitiële Documentatie blijkt dat op 9 december 2009 is besloten [appellant] ter zake van overtreding van artikel 8, derde lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 (rijden onder invloed), gepleegd op 29 november 2009, een geldboete van € 350,00 op te leggen en dat [appellant] deze geldboete heeft betaald. Voorts is ten grondslag gelegd dat aangifte tegen [appellant] is gedaan ter zake het niet voldoen aan een bevel of vordering gedaan door een buitengewoon opsporingsambtenaar (hierna: BOA). Bij het niet voldoen aan de vordering om zijn rijbewijs over te leggen, werd de manier waarop [appellant] zich opstelde als dusdanig bedreigend ervaren, dat politieassistentie werd gevraagd.
2.3. Ter zitting is door de staatssecretaris naar voren gebracht dat het bedrijf KNB Security, voornoemd, niet meer bestaat, waardoor [appellant] geen belang meer heeft bij het behoud van de verleende toestemming om voor dat bedrijf als leidinggevende te werken.
2.3.1. [appellant] heeft dienaangaande ter zitting betoogd dat hij nog immer belang heeft bij een uitspraak op zijn hoger beroep, omdat deze mede bepalend kan zijn voor een nieuwe aanvraag om toestemming, waarvoor hetzelfde toetsingskader geldt.
2.4. Het betoog van de staatssecretaris treft doel. Nu genoemd bedrijf niet meer bestaat, is er met betrekking tot de destijds door de minister verleende toestemming niet langer sprake van een beveiligingsorganisatie of recherchebureau aan welke een vergunning is verleend in de zin van artikel 7, eerste lid, van de Wpbr. Hierdoor is de grondslag aan de verleende toestemming komen te ontvallen, zodat [appellant] niet langer belang heeft bij beoordeling van het hoger beroep. Het door [appellant] dienaangaande gestelde ziet eraan voorbij dat ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wpbr sprake is van toestemming die niet aan de desbetreffende persoon, maar aan een bepaalde beveiligingsorganisatie of bepaald recherchebureau wordt verleend.
2.5. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van staat.
w.g. Van Dijk w.g. Van Hardeveld
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2012
312-741.